| 24485 |
liguster |
liguster:
WLD
lugguster (Q208p Vijlen)
|
De liguster; een struik van 1-4 m hoogte met grauwe opgerichte takken, heeft witte bloemen en zware kogelvormige erwt-grote bessen; zeer bekend als haagplant (merekenspalm, theeboom, mondhout, heggesering). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 20464 |
lijkbidder |
lijkenbidder:
liekebidder (Q208p Vijlen),
slaat niet op de buren
liekebidders (Q208p Vijlen)
|
lijkbidders; wordt het overlijden aangezegd door de naaste buren of door lijkbidders? Hoe heten deze (aanzeggers, aansprekers, groeveneugers, uitingstneugers, lijkers, enz.)? (duidelijk vermelden of deze naam op de buren of op de lijkbidders slaat) [VC 03 (1937)]
III-2-2
|
| 20254 |
lijkenhuisje |
lijkenhuisje:
lieke huuske (Q208p Vijlen)
|
Het gebouwtje op of bij het kerkhof, waar de lijkbaar staat en waar men vroeger zo nodig een lijk tijdelijk onderbracht [lijkenhuisje, liek(e)huuske, dodenhuisje, doeëdehuus-je?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33273 |
lijnzaad, vlaszaad |
lijzaad:
līzǭt (Q208p Vijlen)
|
Linum usitatissimum L. Lijnzaad is de gebruikelijke naam voor het zaad van de vlasplant en, in verband met de olieproduktie, ook voor het gewas. Zie paragraaf 4.2 en in het bijzonder het lemma Vlas. Uit de gerepelde en gedorste zaadbollen wordt olie geslagen, de lijnolie; de overblijvende pulp is een gezocht veevoer. De vormen die hier zijn samengebracht onder de typen lijzend en lijzens zijn te beschouwen als varianten van lijzaad, met een bijzondere verzwaring van het eerste lid. Ze zijn als afzonderlijke typen behandeld vanwege de samenstellingen in dit lemma en in de volgende lemmaɛs. [S 22; Wi 18; monogr.; add. uit JG 1b; L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31]
I-5
|
| 20492 |
likken |
lekken:
lekke (Q208p Vijlen)
|
likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20904 |
limonade |
limonade:
limonaad (Q208p Vijlen)
|
limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)]
III-2-3
|
| 24821 |
lindeblad |
lindeblad:
ling-nge-blaad (Q208p Vijlen)
|
lindeblad [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 21478 |
liniaal |
liniaal:
liniaal (Q208p Vijlen),
regel:
riĕl (Q208p Vijlen)
|
een dunne rechte lat met een maatverdeling om er lijnen langs te trekken [liniaal, linie, regel, regelet] [N 90 (1982)] || liniaal [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17867 |
links, linkshandig |
linkshandig:
linkshendig (Q208p Vijlen)
|
Zegt men van iemand die bij voorkeur zijn linker hand gebruikt: Hij is ... [DC 50 (1975)]
III-1-2
|
| 22888 |
linksachter |
linksachter:
linksater (Q208p Vijlen)
|
Linksachter, rechtsachter. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|