| 17869 |
linkshandig persoon |
linkse, een -:
linkse (Q208p Vijlen)
|
Zegt men van iemand die bij voorkeur zijn linker hand gebruikt: Het is een ... [DC 50 (1975)]
III-1-2
|
| 22881 |
linksvoor |
linksvoor:
linksvoor (Q208p Vijlen)
|
Links- rechtsvoor. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
| 28772 |
linnen, linnengoed |
lijnen:
liŋǝ (Q208p Vijlen)
|
Weefsel uit vlas- of hennepgaren vervaardigd. Lijnwaad. [N 62, 77; N 59, 201; N 62, 75f; L 1a-m; L 30, 30a; L 30, 30b; L B1, 95; MW; Wi 18 en 55; S 22; monogr.]
II-7
|
| 17617 |
lip |
lip:
lip (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
lìp (Q208p Vijlen)
|
lip [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 24528 |
lisdodde |
lampenkruid:
-
lampe kroet (Q208p Vijlen),
mv. : lampe. Opgegeven bij 010b ipv. 010a.
lampe kroet (Q208p Vijlen)
|
lisdodde [DC 13 (1945)], [DC 13 (1945)]
III-4-3
|
| 23731 |
litanie van de rozenkrans |
litanie (<lat.):
littenij (Q208p Vijlen)
|
De litanie van O.L. Vrouw, het slot van het Rozenhoedje [littenïj, lietenïj, lieteniej, lietenej?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18051 |
litteken |
lijkteken:
liekteeke (Q208p Vijlen),
lijmteken:
liemteke (Q208p Vijlen)
|
Als een wond of zweer is genezen, blijft de plaats ervan meestal zichtbaar. Die plek noemt men dan een .... (Nederl. litteken). [DC 30 (1958)] || litteken [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 23438 |
liturgisch vaatwerk |
kelken:
kelke (Q208p Vijlen)
|
De heilige vaten, het liturgisch vaatwerk [kelken, cibories, monstrans]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23445 |
liturgische gewaden |
miskleren:
meesklijjer (Q208p Vijlen)
|
De paramenten, de liturgische gewaden. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23311 |
lof |
lof met de zegen:
loof mit dur zean (Q208p Vijlen)
|
Het lof, de kerkdienst met uitstelling van het Allerheiligste, gehouden op zondagmiddag, soms op zaterdagavond [lof, laof, zeëje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|