| 17688 |
long |
long:
lŏŏng (Q208p Vijlen),
lŏŏng-nge (Q208p Vijlen)
|
long [SGV (1914)] || longen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 25289 |
lood, maat van 10 gram |
lood:
loewed (Q208p Vijlen)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 10 gram [lood] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24846 |
loof |
blader:
blaar (Q208p Vijlen),
bladeren
blaar (Q208p Vijlen),
WLD
blaar (Q208p Vijlen),
loof:
loof (Q208p Vijlen),
lover:
loover (Q208p Vijlen)
|
bladeren [N 92 (1982)], [SGV (1914)] || De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)] || loof [SGV (1914)] || loof, lover
III-4-3
|
| 30797 |
looi |
looi:
luwǝ (Q208p Vijlen)
|
Looistof. Fijngemalen eikebast of run waarmee men leer bewerkt. [S; L 1a-m]
II-10
|
| 30795 |
looien |
looien:
lø̜ǝ (Q208p Vijlen)
|
Het bereiden van leer. Dierehuiden die bepaalde voorbereidingen hebben ondergaan worden met bepaalde samentrekkende stoffen zo behandeld dat zij tot leer worden. [S; L 1a-m; monogr.]
II-10
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
scheut:
sjööt (Q208p Vijlen),
spruit:
WLD
schproet (Q208p Vijlen)
|
Een nieuw uitgelopen twijgje (spraon, scheut, schot, lot). [N 82 (1981)] || loot [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
loope (Q208p Vijlen)
|
lopen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 24674 |
lork |
lariks:
WLD
lariks (Q208p Vijlen)
|
De lariks (die s winters zijn naalden verliest) (lariks, lork, laris, lurk). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 25247 |
loteren, los zitten |
los zitten:
lŏz zitte (Q208p Vijlen)
|
los zitten, gezegd van onderdelen [loteren] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21194 |
luchtballon |
luchtballon:
lofballong (Q208p Vijlen)
|
een ballon die kan opstijgen met een mand eronder om personen te vervoeren [ballon, luchtbal, luchtbol, luchtschip] [N 90 (1982)]
III-3-1
|