| 21711 |
marktplein |
markt:
maat (Q208p Vijlen)
|
het plein in een stad of dorp waar markt gehouden wordt [mert, marktveld] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24945 |
marmer |
marmer:
marmer (Q208p Vijlen)
|
marmer [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 24350 |
marter |
maats:
maátsch (Q208p Vijlen),
WLD
maatsch (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt u het slanke roofdiertje, geelbruin tot donkerbruin, met lange dekharen. De kop is spits met grote oorschelpen, het lichaam is lang en lenig. Het heeft een lange staart en korte poten; marter (fluwijn) [N 83 (1981)] || marter [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 22440 |
masker |
maske:
maske (Q208p Vijlen)
|
masker [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 20469 |
masturberen |
(-) aftrekken:
inge aftrekke (Q208p Vijlen),
(-) wiksen:
zich inge wiekse (Q208p Vijlen),
een aftrekken:
inge aftrekke (Q208p Vijlen),
zich een wiksen:
zich inge wiekse (Q208p Vijlen)
|
onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10C (1995)], [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33044 |
mathaak |
zichtehaak:
ziǝtǝhǭk (Q208p Vijlen)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 19825 |
mattenklopper |
mattenklopper:
matəkløpər (Q208p Vijlen)
|
mattenklopper [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 18129 |
mazelen |
mazelen:
mazele (Q208p Vijlen),
reule:
Uitspraak: eu van freule.
reulle (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men de besmettelijke kinderziekte waarbij de huid vele kleine rode vlekjes vertoont (Nederl. mazelen)? [DC 25 (1954)] || mazelen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 18855 |
medelijden |
metlijden:
midliejje (Q208p Vijlen)
|
een gevoel van smart over het leed van andere mensen [medelijden, kompassie, deernis, deer] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20407 |
meerderjarig |
mondig:
mundig (Q208p Vijlen)
|
mondig [SGV (1914)]
III-2-2
|