| 33408 |
mestplank onder de zitstokken |
mestbred:
mēsbręt (Q208p Vijlen)
|
De plank onder de zitplaats van de kippen die dient om de mest op te vangen. In L 245, P 51,174, 222, Q 9, 77, 88, 93 en 118 kende men een dergelijke voorziening niet; daar vielen de uitwerpselen gewoon op de vloer. [N 5A, 63b; A 48, 16g]
I-6
|
| 33622 |
mestvaalt |
mestem:
mestum (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen,
Q208p Vijlen),
mesthof:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mistef (Q208p Vijlen),
mistuf (Q208p Vijlen),
mesthoop:
meshoop (Q208p Vijlen),
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
meeshoop (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
mestkuil:
meskoel (Q208p Vijlen),
mestpoel:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mispool (Q208p Vijlen)
|
[SGV (1914)]hoop droge mest,die bij of op de gierput wordt opgestapeld [DC 18 (1950)] || mesthoop bij de boerderij [DC 09 (1940)]
I-7
|
| 23632 |
met de collecteschaal rondgaan |
met de telder gaan:
mit dur telder goewè (Q208p Vijlen)
|
Collecteren met de open schaal, met de schaal rondgaan. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22641 |
met een drijftol spelen |
met de ijsloper spelen:
spele met d’r iesleuper (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men het spelen met dit speelgoed [kinderspeelgoed dat paddestoel- of kegelvormig is en dat met een zweep wordt voortgedreven]? [DC 24 (1953)]
III-3-2
|
| 22760 |
met een priktol spelen |
met de ijsloper spelen:
spele met d’r iesleuper (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men het spelen met dit speelgoed [een stuk speelgoed dat in beweging wordt gebracht met behulp van een touwtje dat er omheen wordt gedraaid]? [DC 24 (1953)]
III-3-2
|
| 20570 |
met kleine hapjes eten |
knibbelen:
kniebele (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt U: Druk eten met kleine hapjes (busselen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19062 |
met tegenzin |
tegen zijn zin:
têge zie-ne zin (Q208p Vijlen)
|
tegen heug en meug [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 25101 |
met tussenpozen regenen |
schuilen op weg:
schoele op weeg (Q208p Vijlen)
|
af en toe regenen [veuren] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 29920 |
metselaar |
metselaar:
mɛtsǝlēr (Q208p Vijlen)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metselen:
mɛtsǝlǝ (Q208p Vijlen)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|