| 34521 |
nestei |
nestei:
nɛsęi̯ (Q208p Vijlen)
|
Een nestei is het ei dat men bij het wegnemen van de eieren van de kippen in het nest laat liggen, opdat er andere bij gelegd worden. Soms gebruikt men een ei van kalk, porcelein of gips, soms een vuil ei. [S 25; monogr.]
I-12
|
| 24216 |
nestelen |
bouwen:
bouwe (Q208p Vijlen)
|
een nestje maken, gezegd van vogels (timmeren, vuren, bouwen) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 24217 |
nestkastje |
vogelkistje:
vŏgelkiske (Q208p Vijlen)
|
vogelkastje: Hoe noemt u in uw dialect een kastje voor vogels om in te nestelen dat men aan het huis of een boom hangt? [N 100 (1997)]
III-4-1
|
| 24218 |
nestverlater |
vlug:
vlukke (Q208p Vijlen)
|
op het punt staan om het nest te verlaten, gezegd van jonge volgels (vlug) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 34104 |
netmaag |
netmaag:
nɛtmāx (Q208p Vijlen),
nirgelsmaag:
nergǝlsmāx (Q208p Vijlen)
|
De tweede maag van de koe, de langwerpige maag. [N 28, 81; A 9, 11b]
I-11
|
| 17608 |
neus |
neus:
naas (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
nāās (Q208p Vijlen)
|
neus [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17609 |
neus (spotnamen) |
tul:
(dikke)
tul (Q208p Vijlen),
(lang)
tul (Q208p Vijlen)
|
neus, Een dikke ~ (domper, kolf, tromp, domphoren). [N 84 (1981)] || neus, Een lange ~ (fokker, domphoren, vonk). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17613 |
neusvleugel |
neusvleugel:
naasvleugel (Q208p Vijlen)
|
neusvleugel [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 20482 |
nicht |
nicht:
geen verschillende woorden
niejet (Q208p Vijlen),
neen
niejut (Q208p Vijlen)
|
nicht; Bestaan er verschillende woorden voor de verschillende soorten van nichten (kinderen van ooms en tantes, kinderen van broers en zusters, achternichten?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 18094 |
niersteen |
niersteen:
neresjting (Q208p Vijlen)
|
Nier-, gal- en blaassteen: steenachtige zelfstandigheid in galblaas, nieren of blaas (steen, graveel, graveelsteen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|