| 24900 |
ogenblikje, korte tijd, eventjes |
moment:
e moment (Q208p Vijlen),
e mumment (Q208p Vijlen),
momentje:
ee mómentje (Q208p Vijlen)
|
ogenblikje [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
| 33558 |
okkernoot |
dikke noot:
-
dieke naot (Q208p Vijlen),
noot:
noo-et (Q208p Vijlen),
nuuet (Q208p Vijlen),
näöët (mv.) (Q208p Vijlen)
|
noot || noot (vrucht) [SGV (1914)] || noten (mv.) [SGV (1914)] || okkernoot, vrucht van [DC 17 (1949)]
I-7
|
| 23227 |
oksaal |
oksaal:
oksaal (Q208p Vijlen)
|
Het oksaal, de galerij boven het kerkportaal, waar het orgel staat en het zangkoor zingt [oksaal oksaol, koor, zangerskoor, zangzolder?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20547 |
olie |
olig:
oalig (Q208p Vijlen),
salade-olig:
schlaatŏlich (Q208p Vijlen)
|
olie [SGV (1914)] || olie; Hoe noemt U: De vette vloeistof die b.v. gebruikt wordt bij het aanmaken van sla of het braden van vlees (smout, olie) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 30614 |
olieverf |
oligsverf:
ǭlexs˲[verf] (Q208p Vijlen)
|
Verf waarvan het bindmiddel bestaat uit een drogende olie als lijnolie of papaverolie. Olieverf wordt bereid door verfstof met een tempermes op een wrijfsteen in de olie te wrijven of door olie en verfstof na menging te malen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(verf)' het lemma 'Verf'. [S 26; N 67, 23b; monogr.; div.]
II-9
|
| 23150 |
olifant |
olifant:
Karte 109.
olifant (Q208p Vijlen)
|
Elefant.
III-3-2
|
| 17916 |
omarmen |
omarmen:
umerme (Q208p Vijlen)
|
omvatten, Met gestrekte armen ~ (vademen, omvademen, spannen, omarmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 23479 |
omheining van het kerkhof |
kerkenmuur:
kirkemōēr (Q208p Vijlen)
|
De muur, de omheining van het kerkhof [toen, toun, tuun?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33737 |
omheining van ijzeren spijlen |
gitter:
gitǝr (Q208p Vijlen)
|
Omheining van ijzeren spijlen of staven. [A 25, 4e]
I-8
|
| 33736 |
omheining van opstaande latjes |
spalier:
špalēr (Q208p Vijlen)
|
Omheining getimmerd van opstaande latjes, meestal rond een tuin of hof. [A 25, 4d; monogr.]
I-8
|