| 17706 |
ontlasting hebben |
schijten:
sjiete (Q208p Vijlen)
|
ontlasting hebben [afgon, leutere, driete, zijn gevoeg doen] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34151 |
onvruchtbare koe |
manse koe:
mǭs kō (Q208p Vijlen)
|
In dit lemma duiden de benamingen niet alleen op een koe die bij de dekking niet is bevrucht maar ook op een rund dat halfslachtig ter wereld is gekomen dat wil zeggen half stier en half koe is. Ook tweeling-runderen zijn vaker onvruchtbaar. [N 3A, 102; N 3A, 103; N 3A, 150h; N 3A, 150i; JG 1a, 1b; A 4, 14; L 20, 14; monogr; add. uit N C]
I-11
|
| 25119 |
onweersbui |
donderschuil:
dŏŏndersjoel (Q208p Vijlen),
hommelschuil:
hoomelsjoel (Q208p Vijlen)
|
donderbui [SGV (1914)] || onweersbui [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17973 |
onwel |
krank:
krank veule (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
krank zieje (Q208p Vijlen)
|
Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, onlustig, niet prut, kadies, dings). [N 84 (1981)] || Zich niet lekker voelen (spijten, kruchen, in de lappenmand zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 23720 |
onzevaderkralen |
vaderonzerparels:
vadder onzerpèjle (Q208p Vijlen)
|
De Onze-Vaderkralen (6 stuks). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20557 |
ooft |
snitselen:
schnietzele (Q208p Vijlen)
|
ooft; Hoe noemt U: Appelen of peren, in schijven gedroogd (in de oven) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17592 |
oog |
oog:
oog (Q208p Vijlen),
ōw (Q208p Vijlen),
ó:w (Q208p Vijlen)
|
oog [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17595 |
ooglid |
oogklep:
ouwklap (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
Ooglid - Als men de ogen sluit, gaat er iets dat men een klepje zou kunnen noemen, over het oog heen. Hoe noemt men dit klepje? [DC 39 (1965)] || Ooglid - Hoe noemt men het andere klepje, aan de onderzijde van het oog? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|
| 33023 |
oogst -opbrengst |
oogst:
[oogst] (Q208p Vijlen)
|
Oogst in de betekenis van "een goede oogst" of "de oogst staat er goed voor"; het tweede deel van deze laatste uitdrukking is ondergebracht in het volgende lemma. Voor de fonetische documentatie van de woordtypen [oogst], [bouw] en [bouwt], zie het lemma ''oogst -werkzaamheden'' (4.1.2); de in dit lemma gedocumenteerde varianten van oogst komen daar ofwel in het geheel niet voor, ofwel (soms) als een wezenlijk andere variant. [N 15, 11; L 5, 29; L 39, 39; S 27; monogr.; add. uit N 15, 10 en12]
I-4
|
| 33022 |
oogst -werkzaamheden |
oogst:
ōs (Q208p Vijlen),
ǫxs (Q208p Vijlen)
|
Het geheel van de werkzaamheden; het zelfstandig naamwoord. Zie ook Fsa, I, kaart 9. In vergelijking met N 15, 7 ("alle oogstwerkzaamheden te zamen") levert N 15, 8 ("graanoogst") in het geheel geen nieuw materiaal op; overal worden samenstellingen met graan (zie het lemma ''graan, koren'' 1.2.1) en van de opgave van N 15, 7 opgegeven. In het materiaal S 27 staan beide woorden oogst, eerst in de betekenis "het geheel van de werkzaamheden" en daarna in die van "opbrengst", onder elkaar en dat heeft waarschijnlijk suggestief gewerkt, vandaar de talrijke gelijkluidende antwoorden in het lemma ''oogst -opbrengst'' (4.1.3). Voor de behandeling van de varianten van het type oogst, vergelijk de toelichting bij het lemma ''oogsten'' (4.1.1). [N 15, 7 en 8; S 27; Wi 52; NE 3.V, 6g; monogr.; add. uit L 40, 8]
I-4
|