| 32928 |
opper |
huist:
hūs (Q208p Vijlen),
hūst (Q208p Vijlen),
mijt:
mīt (Q208p Vijlen)
|
De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.]
I-3
|
| 18030 |
oprispen |
rupsen:
rupsje (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men in uw dialekt oprispen, opbreken van eten of drinken? [DC 47 (1972)]
III-1-2
|
| 18031 |
oprisping |
rupsing:
rupsjing (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt men een oprisping? [DC 47 (1972)]
III-1-2
|
| 32936 |
opsteker |
opsteker:
ǫpstɛ̄kǝr (Q208p Vijlen)
|
Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a]
I-3
|
| 32938 |
optassen, vouwen |
laden:
lānǝ (Q208p Vijlen)
|
Het eigenlijke laden van het hooi op de wagen. Vooral op de Kempense ladderkarren, zonder dichte zijschotten (zie het lemma ''hooikar'') is dit laden een zorgvuldig karwei: de bussels hooi worden dan met een draaiende slag, een "vouw", vast tegen elkaar aan gestapeld. Om praktische redenen moest er met zorg geladen worden: er moest immers zoveel mogelijk hooi op de wagen geladen worden; maar ook om redenen van beroepstrots: een goedgeladen oogstwagen is de trots van de boer. Om een slechtgeladen wagen zal hij worden bespot. [N 14, 120; A 34, 6]
I-3
|
| 32939 |
optasser |
lader:
lā.nǝr (Q208p Vijlen)
|
Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b]
I-3
|
| 33730 |
optilbaar hek |
stop:
štop (Q208p Vijlen)
|
Het niet draaiend maar uitneembaar hek aan de ingang van een wei. [N 14, 68b; A 25, 5e; monogr.]
I-8
|
| 17900 |
optillen |
opheven:
opheve (Q208p Vijlen),
ŏŏphêve (Q208p Vijlen)
|
(Op)heffen, tillen: in de hoogte heffen (beuren, heffen, tillen, lichten). [N 84 (1981)] || heffen, tillen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 19037 |
opzettelijk |
expres:
es-pres (Q208p Vijlen)
|
expres [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 24703 |
orchis |
orchidee:
orchidee (enkelvoud)
orchiedij (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
orchideeën (meervoud)
orgidijen (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
orchidee [N 92 (1982)]
III-4-3
|