| 24226 |
pop, vrouwelijke zangvogel |
wijfje:
wiefke (Q208p Vijlen)
|
vrouwelijke zangvogel (pop) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 22660 |
poppenspel |
poppenkast:
Karte 353.
poppenkast (Q208p Vijlen)
|
Puppentheater.
III-3-2
|
| 24490 |
populier (alg.) |
canadas:
WLD
kannadas (Q208p Vijlen),
wijde:
wie (Q208p Vijlen)
|
De populier in het algemeen (populier, peppel, peppelboom). [N 82 (1981)] || populier [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 21482 |
portefeuille |
portefeuille (fr.):
Karte 74.
porte(-)feuille (Q208p Vijlen)
|
Brieftasche
III-3-1
|
| 21203 |
postbode |
brievendrager:
brèvedregger (Q208p Vijlen),
facteur (fr.):
facteur (Q208p Vijlen)
|
de persoon die de post bezorgt [bode, postbode, fak, fakteur, briefdrager, postknecht, postloper, post] [N 90 (1982)] || postbode
III-3-1
|
| 21207 |
postzegel |
postzegel:
pooszegel (Q208p Vijlen)
|
het rechthoekige gekleurd stukje papier dat men op brieven etc. plakt om daarmee de port te betalen [postzegel, kopje, tember, zegel] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33171 |
poten |
planten:
plantǝ (Q208p Vijlen),
zetten:
zetǝ (Q208p Vijlen)
|
In dit lemma staan de algemene benamingen voor het planten van de pootaardappelen bijeen. [N 12, 10; N 15, 1b en 1c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 20, 1a; A 23, 17d.I; Lu 1, 17d.I; Wi 43; monogr.; add. uit N 12, 15; N M, 18a en 18b]
I-5
|
| 29421 |
pottenbakker |
pottenbakker:
pǫtǝbɛkǝr (Q208p Vijlen)
|
Ambachtsman die uit klei potten en ander aardewerk vervaardigt. De woordtypen pottenman (Q 95, Q 193) en aardewerker (Q 95) werden in de betreffende plaatsen gebruikt voor een arbeider in een aardewerkfabriek. [L 34, 20; A 45, 34; N 49, 60a; monogr.]
II-8
|
| 27074 |
praam |
prang:
praŋ (Q208p Vijlen)
|
Neusknijper om het paard in bedwang te houden. Een praam bestaat uit een houtje met een lus eraan, die rond de bovenlip van het paard wordt gelegd en met het houtje wordt aangedraaid. Er bestaan ook metalen neusknijpers met deze functie (zie o.a. de termen muilijzer, tandijzer en gebitijzer). [JG 1b, 1c, 2c; N 13, 85; N 33, 377 en 380; S 28; monogr.]
I-10
|
| 23611 |
preek |
predik:
prèdig (Q208p Vijlen)
|
De predikatie, de preek [preek, prèèk, preëdich?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|