| 23243 |
processie |
processie (<lat.):
per-ses-se (Q208p Vijlen)
|
processie [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 17742 |
proeven |
proeven:
preu-ve (Q208p Vijlen),
preuve (Q208p Vijlen),
prŭve (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)] || proeven [SGV (1914)], [SGV (1914)] || proeven; Hoe noemt U: Een kleine hoeveelheid voedsel of drank in de mond nemen om te onderzoeken hoe het smaakt (keuren, proeven) [N 80 (1980)]
III-1-1, III-2-3
|
| 18221 |
pronken |
pronken:
brŏŏn-ke (Q208p Vijlen),
pronke (Q208p Vijlen)
|
prijken [SGV (1914)] || pronken [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 20506 |
proosten |
proosten:
proosten (Q208p Vijlen)
|
proosten; Hoe noemt U: De glazen tegen elkaar aanstoten als teken dat men elkaar veel goeds toewenst (knutsen, klinken, proosten) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20568 |
pruimen |
sjieken:
schieke (Q208p Vijlen)
|
pruimen; Hoe noemt U: Tabak kauwen (pruimen, sikken, sjikken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21354 |
pruis |
pruis:
prūūs (Q208p Vijlen)
|
Pruis [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21355 |
pruisen |
pruisen:
prū-se (Q208p Vijlen)
|
Pruisen (land) [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18926 |
prutsen |
friemelen:
vriemmelle (Q208p Vijlen),
knoddelen:
knoddelle (Q208p Vijlen),
prutsen:
prutze (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
iets slordig doen [leuteren] [N 85 (1981)] || ondegelijk of onvoldoende werk verrichten of ondegelijk aan iets werken [prutsen, fanneken, vrellen, prutten, dooieren, merelen, kloten, klooien, teutelen, zeuren, soeliën, hannesen, treuzelen, teuten, semmelen] [N 85 (1981)] || slecht, slordig werk leveren door onvoldoende kennis [broddelen, brodden, modderen, troddelen, figgelen, knoefelen, foefelen, krabben, fikkelen] [N 85 (1981)] || vervelend, peuterig werk [geneuk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18908 |
prutser |
sukkelaar:
sŭŭkeleer (Q208p Vijlen),
sükeleer (Q208p Vijlen)
|
sukkelaar [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18930 |
prutswerk |
prutswerk:
prutzwerk (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
slordig, slecht werk [geprös, kloterij, gekwansel, troddel] [N 85 (1981)] || werk dat ondeugdelijk of ondegelijk is [getotter, prutswerk, kleuterwerk, kutselwerk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|