| 30687 |
puimsteen |
bimssteen:
bimsštē (Q208p Vijlen)
|
Lichte poreuze gestolde lava met een sponsachtig uiterlijk voor het polijsten van houtwerk en het inschuren van natte grondverf. De 'Gotlandsteen' (Q 162) is een zeer fijnkorrelige zandsteen uit Gotland in Zweden, harder dan puimsteen, die voor fijn schuurwerk wordt gebruikt. [S 29; L 40, 80; N 67, 60c; Renders 1; monogr.]
II-9
|
| 21479 |
punaise |
punaise (fr.):
punaiz (Q208p Vijlen)
|
een klein metalen stiftje met grote platte kop voor het vastzetten van tekeningen etc. [tetske, punaise] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 25014 |
punt, stip |
ponk:
pŏŏnk (Q208p Vijlen),
punt:
punt (Q208p Vijlen)
|
een zeer klein rond teken, een punt [stip, tikske] [N 91 (1982)] || punt [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19079 |
raad |
raad:
road (Q208p Vijlen)
|
raad [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 27904 |
raam |
venster:
venstǝr (Q208p Vijlen
[(meervoud: venstǝrǝ)]
)
|
Zie kaart. Een van glas voorziene opening waardoor het buitenlicht naar binnen valt. In het onderzoeksgebied worden de woorden 'venster' en 'raam' ook wel gebruikt voor de houten of metalen omlijsting waarin de vensterruit wordt geplaatst. In het Standaardnederlands zijn de woorden 'raam', 'venster' en 'glas' onzijdig, in de meeste Limburgse dialecten echter vrouwelijk. Wanneer door de invullers nadrukkelijk een vrouwelijk genus werd opgegeven, is achter de betreffende plaatscode een (+) opgenomen. [N 55, 37; RND 49; A 46, 10a; L mon.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 33575 |
raapstelen |
stelen:
WLD
schteel (Q208p Vijlen)
|
De jonge gesteelde bladeren van de kleine witte meiraap die in het voorjaar als groente gegeten worden; raapstelen (kelen, rieten, steeltjes). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 19057 |
raar, vreemd |
raar:
raar (Q208p Vijlen),
vreemd:
vrem (Q208p Vijlen),
vrêm (Q208p Vijlen)
|
01; vreemd [SGV (1914)] || raar [DC 02 (1932)] || vreemd: Hoe luidt in uw dialect het woord - [DC 19 (1951)]
III-1-4
|
| 28447 |
raat |
raat:
raat (Q208p Vijlen),
roǝt (Q208p Vijlen)
|
Een raat is een schijf gevormd door twee lagen met de rug tegen elkaar liggende zeszijdige cellen. Ze wordt door de bijen gemaakt voor het opkweken van de larven en voor het opbergen van honing in de winter. Het bouwsel is van was. [N 63, 13a; L 1a-m; S 3; A 25, 10; JG 1a+1b; JG 2b-5, 3; Ge 37, 53; monogr.]
II-6
|
| 19224 |
raden |
raden:
roa-e (Q208p Vijlen)
|
raden (ww.) [SGV (1914)]
III-1-4
|