| 26629 |
kriel |
kriel:
kril (Q172p Vroenhoven)
|
Het op twee na fijnste produkt dat tijdens het builen wordt gescheiden. In volgorde van fijn naar grof is kriel grover dan boulté en fijner dan kortmeel. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛbloemɛ, ɛboultéɛ en ɛbuilmolenɛ. Een aantal molenaars (Q 95, Q 176, Q 188, Q 241) maakt geen onderscheid tussen de verschilende soorten die tussen ɛbloemɛ en ɛzemelenɛ worden aangetroffen. Zij die wel verschillende benamingen gebruiken, noemen kriel en biest datgene wat het dichtste bij meel staat.' [JG 1b; Vds 248; Jan 243; Coe 220; Grof 247; N O, 38e]
II-3
|
| 22351 |
krijgertje spelen |
katje spelen:
ketje (Q172p Vroenhoven),
/
ketje (Q172p Vroenhoven)
|
Lievelingsspel 1. [SND (2006)] || tikkertje [SND (2006)]
III-3-2
|
| 26082 |
kruien |
vortvaren:
vōt˲vǭrǝ (Q172p Vroenhoven)
|
Een last met de kruiwagen vervoeren. [N 18, 100 add; Wi 33; S 19; L 29, 4; L 1a-m; RND 97; A 42, 13 add + 16 add; monogr.]
I-13
|
| 19581 |
kruik |
kruik:
krūk (Q172p Vroenhoven)
|
kruik [ZND 29 (1938)]
III-2-1
|
| 20712 |
kruim |
binnenste, het -:
binnĕstĕ (Q172p Vroenhoven),
kruimel:
krjə-mels (Q172p Vroenhoven)
|
kruim [ZND 29 (1938)]
III-2-3
|
| 17573 |
kruin |
kruin:
krŏĕn (Q172p Vroenhoven),
krun (Q172p Vroenhoven)
|
de kruin van het hoofd (waar het haar draait) [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 17649 |
kruis |
kruis:
ee kruus, twie kruuzĕr (Q172p Vroenhoven),
kręi̯.s (Q172p Vroenhoven),
ə kry(3)̄s, twi kry(3)̄-zər (Q172p Vroenhoven)
|
Een kruis, twee kruisen. [ZND 29 (1938)] || Kruising van ruggegraat en achterheupen, uitlopend in de staart en staartwortel. Zie afbeelding 2.31. [JG 1a, 1b; N 8, 13 en 14]
I-9, III-3-3
|
| 23203 |
kruisbeeld |
kruis:
ĕ kruus (Q172p Vroenhoven)
|
Kruisbeeld. [ZND 22 (1936)]
III-3-3
|
| 33551 |
kruisbes |
kroenzel:
kroensel (Q172p Vroenhoven),
kroezel:
krusəl (Q172p Vroenhoven)
|
kruisbes [ZND 16 (1934)]
I-7
|
| 32798 |
kruiselings eggen |
kruis[eggen]:
krȳ.s˱[eggen] (Q172p Vroenhoven)
|
Bij de bewerking van stoppelland zowel als bij onkruidbestrijding egt men het stuk vaak kruisvormig, d.w.z. in de lengte en in de breedte. Gewoonlijk worden alleen brede akkers op deze wijze bewerkt; wanneer men een smalle akker (ook) in de breedte egt, moet er immers veel vaker gekeerd worden, wat meer tijd vraagt dan wanneer men die akker (nog eens) in de lengte egt. Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zij verwezen naar de toelichting op het lemma ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 84b]
I-2
|