| 32987 |
halm, stengel van de graanplant |
spier:
spei̯ǝ.r (Q078p Wellen)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
| 17627 |
hals |
hals:
hals (Q078p Wellen, ...
Q078p Wellen)
|
hals [ZND 01 (1922)] || Hals van een kledingstuk. [N 62, 31a; MW]
II-7, III-1-1
|
| 18419 |
hals [wld ii.7, p.86] |
hals:
hals (Q078p Wellen)
|
Hoe noemt U: de hals van een kledingstuk (hals, nek?) [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 26427 |
hals van het staakijzer |
hals:
hals (Q078p Wellen)
|
Het dikke gedeelte van het staakijzer dat zich in de steenbus van de ligger bevindt. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛhals van de kleine spilɛ.' [Vds 122; Jan 130; Coe 106; Grof 126; A 42A, 23]
II-3
|
| 18255 |
halsketting |
kettel:
en goue kèttel (Q078p Wellen),
ketteltje:
kettelke (Q078p Wellen)
|
een gouden ketting [ZND 01 (1922)] || Een gouden ketting [ketting, kettel, snoer] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18236 |
halssnoer |
collier (fr.):
coljei (Q078p Wellen),
kəljɛ.ij (Q078p Wellen)
|
collier: halssnoer || Halssnoer. Aan een snoer geregen kralen, parels, enz. als halssieraad [toer, snoer, ketting, karkant, collier] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 33927 |
halster |
halster:
hɛlstǝr (Q078p Wellen),
kopstuk:
kǫpstøk (Q078p Wellen)
|
Stel van leren riemen - eventueel touwen - of kettingen dat het paard om het hoofd heeft als het niet ingespannen is. Aan de halsterring wordt de lijn of ketting gehecht waarmee het paard in de stal of op de weide wordt vastgebonden of waarmee het wordt geleid. Op sommige plaatsen wordt de term halster ook gebruikt om het Hoofdstel of de Stalband aan te duiden. [JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2b, 2c; N 13, 18a; N 5 A II, 59e add.; monogr.] || Tuig aan de kop van een os of een stier. [N 3A, 14b; monogr.]
I-10, I-11
|
| 21541 |
halve frank |
halve frank:
ps. omgespeld volgens Frings.
halvə fraŋ (Q078p Wellen),
haləvə fraŋ (Q078p Wellen)
|
wit metalen munt van 50 centiem [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21434 |
halve gulden |
halve gulden:
ps. omgespeld volgens Frings.
halvə gøldə (Q078p Wellen)
|
halve gulden, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21607 |
halve stuiver |
duiten:
ps. omgespeld volgens Frings.
døtə (Q078p Wellen)
|
halve stuiver, een 2 1/2 centstuk [lap, sjoe, groot, flapsent, bokkestuiver, grote cent, plak, bots, vierduitstuk?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|