id | Begrip | Trefwoord: dialectopgave (plaats) | Omschrijving |
---|---|---|---|
17848 | naar huis gaan | naar thuis gaan: ich goan no tauwes (Wellen), thuis gaan: noae gøn ich thøs (Wellen) | Wat zegt men in uw dialect? Nu ga ik naar huis. [ZND 48 (1954)] III-1-2 |
34013 | naar links | haar: hār (Wellen), hɛ̄r (Wellen) | Voermansroep om het paard naar links te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95 c, 95d en 96; L 1 a-m; L B 2, 255; L 26, 2; L 36, 81c; S 12; monogr.] I-10 |
34014 | naar rechts | hot: hui̯t (Wellen) | Voermansroep om het paard naar rechts te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95a en 96; L 1 a-m; L B 2, 256; L 26, 2; L 36, 81d; S 12; monogr.] I-10 |
24213 | nachtegaal | nachtegaal: nâi-tərgâ-ël (Wellen), vdBerg; omgesp. ātərgōͅu̯əl (Wellen) | nachtegaal [ZND 05 (1924)] || nachtegaal (16,5 bekend; kleine bruine vogel met rossige staart; vrij zeldzame zomervogel; verborgen levend; beroemd om de zang [N 09 (1961)] III-4-1 |
18608 | nachtjapon | robe (fr.): ro.əp (Wellen) | robe: lange huisrok III-1-3 |
17842 | nachtmerrie | maar: [vgl. grijs merrie (trefw. nevel), cf. P 188: grejs mere] mâ-r (Wellen) | Nachtmerrie; hoe vertaalt gij, fr. jai eu le cauchemar? [ZND 05 (1924)] III-1-2 |
20138 | nageboorte | nageboorte: noageboorte (Wellen) | menselijke nageboorte [N 10C (zj)] III-2-2 |
34179 | nageboorte van de koe | bed: bęt (Wellen), bɛt (Wellen), koebed: kø̄bęt (Wellen) | [N 3A, 57a; JG 1a, 1b; A 33, 19b; monogr.] I-11 |
17770 | nagel | nagel: nèegel (Wellen) | [ZND 30 (1939)] III-1-1 |
25410 | nagels verwijderen | tenen aftrekken: tęjnǝ ǭftrēkǝ (Wellen), uitwringen: ǭtwręjŋǝ (Wellen) | De nagels worden meestal afgetrokken met de haak die aan de bovenkant van de krabber zit. Men kapt of snijdt ze ook wel af of wringt ze met de hand af. Alvorens de nagels te verwijderen houdt men ze in heet, zelfs kokend water. [N 28, 35; monogr.] II-1 |