| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kaog(d) (Q201p Wijlre),
kòəkə (Q201p Wijlre),
kôken (Q201p Wijlre)
|
koken [DC 03 (1934)], [RND]
III-2-3
|
| 17813 |
komen |
komen:
kōmə (Q201p Wijlre)
|
komen [RND]
III-1-2
|
| 18826 |
kommervol (zijn): kommer |
geplaagd zijn:
geplaogd zieë (Q201p Wijlre)
|
vol leed en zorg [diepzinnig, kommervol] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24322 |
konijnenhol |
pijp:
píep (Q201p Wijlre)
|
Hoe noemt u het in de grond uitgegraven verblijf van een konijn (kneut, pijp, potje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20133 |
konijnenjong |
konijntje:
kniëneke (Q201p Wijlre, ...
Q201p Wijlre)
|
konijn, jong || konijn, jong ve —
III-2-1
|
| 21266 |
koning |
koning:
kyəniŋ (Q201p Wijlre)
|
koning [RND]
III-3-1
|
| 22518 |
koning en vrouw van een kleur in een hand |
stuk:
va ein sjtuk (Q201p Wijlre)
|
Koning en vrouw van één kleur in één hand [stuk]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 28400 |
koningin |
koningin:
kȳneŋen (Q201p Wijlre),
kø̜neŋen (Q201p Wijlre),
moer:
moer (Q201p Wijlre)
|
Het enige volmaakt vrouwelijke dier in een bijenkolonie. Geslachtelijk is de koningin gelijk aan de werkbij, maar in het larvestadium is de aanstaande koningin gevoed met hoogwaardige voedingsstoffen, de koninginnegelei, en de werkbij niet. In ieder volk is slechts één koningin aanwezig. Haar enige taak bestaat in het leggen van eieren. Zij kan bevruchte of onbevruchte eieren leggen. Uit de bevruchte eieren ontstaan werkbijen of eventueel koninginnen, uit de onbevruchte komen de darren. Een koningin kan een leeftijd van vier à vijf jaar bereiken. Is zij niet meer in staat eieren te leggen en daardoor nutteloos geworden voor de kolonie, dan wordt de oude koningin vervangen door een nieuwe. [N 63, 12d; S 3, L 1a-m; JG 1a + 1b; JG 2b-5, 12; R 3, 42; Ge 37, 37; A 9, 3; monogr.]
II-6
|
| 24663 |
koningskaars |
vossenstots:
vossesjtoets (Q201p Wijlre)
|
Koningskaars (verbascum thapsus). Als hierboven. De bloemen staan in groepjes en zijn tot een aar verenigd. Op droge zonnige plaatsen, vooral in de duinen (koningskaars, wolverstaart, wolblaad, zokkebloem, paaskaars, hemelbrand, zachtlap). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 21823 |
konkelfoezen (wbd) |
wiezelen:
wisjele (Q201p Wijlre)
|
verdacht en zachtjes met elkaar zitten te praten [smoezen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|