| 24570 |
lelietje-van-dalen |
ieletje:
(Convallaria majalis)
īēëleke (Q001p Zonhoven),
meiklokje:
mee.jklökske (Q001p Zonhoven)
|
lelietje-van-dalen
III-4-3
|
| 19124 |
lelijk |
lelijk:
lullək (Q001p Zonhoven),
lölek (Q001p Zonhoven)
|
lelijk
III-1-4
|
| 17643 |
lende |
lee:
lë.i (Q001p Zonhoven)
|
lendenen [ZND 01 (1922)]
III-1-1
|
| 33786 |
lendenen en kuil |
leden:
lē. (Q001p Zonhoven),
miltkuil(en):
me.ljkǫu̯lj (Q001p Zonhoven)
|
Achter de rug liggen de lendenen. Bij een welgevormd paard gaan de lendenen, die sterk en goed gespierd moeten zijn, ongemerkt in kruis en flanken over. De miltkuilen of -holten vormen het gedeelte van de flanken tussen heupgewricht en de laatste rib, een holte aan de buik ter hoogte van de milt. Een paard heeft bij voorkeur kleine miltkuilen. Zie afbeelding 2.30. [JG 1a, 1b, 2c]
I-9
|
| 21503 |
lenen |
lenen:
līnən (Q001p Zonhoven)
|
leenen [ZND 14 (1926)]
III-3-1
|
| 17558 |
lenig |
lenig:
lenig (Q001p Zonhoven)
|
Lenig (zwak, gezwank, lips). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
opgang:
ps. omgespeld volgens IPA.
oͅpxaŋk (Q001p Zonhoven),
voortijd:
ps. onder de e staat nog een soort trema; deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.
vø̄rtejət (Q001p Zonhoven)
|
lente [ZND 30 (1939)]
III-4-4
|
| 18955 |
lepe, doortrapte kerel |
loos mannetje:
lōē.ës ménneke (Q001p Zonhoven)
|
geslepen kerel
III-1-4
|
| 19553 |
lepel |
lepel:
lee.ëpel (Q001p Zonhoven),
lepel (Q001p Zonhoven),
lējəpəl (Q001p Zonhoven)
|
lepel || Lepel (juiste dialectuitspraak) [ZND 37 (1941)]
III-2-1
|
| 31924 |
lepelboor |
lepelboor:
lepelboor (Q001p Zonhoven)
|
Boorijzer voor hout met een lepelvormig uiteinde. Het snijvlak van de boor is half bolvormig. Zie ook afb. 74b. De lepelboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De wagenmaker boort er onder meer de voorgeboorde naven van karwielen verder mee uit zodat daar vervolgens de naafbus in geplaatst kan worden. [N 33, 329; N 53, 162a; N G, 31c; monogr.]
II-12
|