e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gingelom

Overzicht

Gevonden: 1973

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
angelusklok angelusklok: de angelusklok lət (Gingelom) De angelusklok luidt. [ZND 32 (1939)] III-3-3
anjelier genoffel: ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007  djenoffel (Gingelom) Anjelier, Fr. oeillet, Lat. Dianthus [ZND 15 (1930)] I-7
anjer, anjelier (dianthus caryophyllus l.) genoffel: -  dzənofəl (Gingelom) tuinanjer III-2-1
anker anker: aŋkǝr (Gingelom) Stuk ijzer dat wordt gebruikt om muren, vloeren, gordingen etc. met elkaar te verbinden. Het is gewoonlijk samengesteld uit een schieter en een veer. De schieter vormt het metalen onderdeel aan de buitenzijde van de muur en bestaat uit een metalen staaf die in het midden een nok heeft. De veer brengt de verbinding tussen schieter en muur of vloer tot stand. Schieter en veer kunnen met behulp van één of meer spieën aan elkaar worden bevestigd. Zie ook afb. 72. De woordtypen 'strijkanker', 'trekanker' en 'strekanker' worden specifiek gebruikt voor een anker waarvan de veer in de dwarsrichting over twee of drie balken ligt. Het dient om muren te verankeren die evenwijdig lopen met de balklaag. [N 31, 38; N 4A, 51b; N 54, 123b; N 54, 124a; N 54, 126; monogr.] II-9
appel, algemeen appel: appel (Gingelom, ... ) [ZND 01 (1922)] [ZND 26 (1937)] I-7
appelbol trollebal: Syst. Frings  tryləbal (Gingelom, ... ), trollebol: trullebol (Gingelom) appel in deeg gedraaid en in de oven gebakken [ZND 32 (1939)] || Appelbol (krollebol, kokkerebol, kollemol, zomerbroodje, appelbol, appelbroodje, ballebuuze?) [N 16 (1962)] III-2-3
appelmoes prut: pret (Gingelom), prət (Gingelom), Syst. Frings  prøt (Gingelom, ... ) appelmoes [ZND 32 (1939)] || Appelmoes (appelpommee?) [N 16 (1962)] III-2-3
appeltaart gozte-tje: Syst. Frings  gazeͅtjə (Gingelom), taartenpom: Syst. Frings  ta͂ətəpū̞əm (Gingelom) Appeltaart (tartepom?) [N 16 (1962)] III-2-3
appeltaartje taartenpom: Syst. Frings  tatəpūm (Gingelom), taartenpommetje: Syst. Frings  ta͂ətəpū̞əməkə (Gingelom) Appeltaartje (tartepumke, toeslaag?) [N 16 (1962)] III-2-3
aren lezen oogsten: ūstǝ(n) (Gingelom), ǫxstǝ(n) (Gingelom) Het oprapen en verzamelen van de achtergebleven aren op het veld. Het was vroeger gewoonte de aren die op het pasgemaaide en geoogste veld achterbleven, te laten liggen, zodat behoeftigen deze konden verzamelen. Het was een vorm van armenzorg. [N 15, 35; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 39, 40; Lu 3, 6; R [s], 31; R 3, 68; monogr.; add. uit A 23, 16.2] I-4