e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
keit beugelbal add.: B.v. Waat keite van böl zeen hie? Geh. Maeseyck.  keit (Maaseik), braamsluiper: algemene naam voor insecteneter, vgl vr. 29; Frings  kēͅət (Diepenbeek), zie vr. 45woltäöt= vr. = vr. 45:  kaet (Bilzen), fitis:   kēͅt (Tongeren), fluiter:   kēͅt (Tongeren), grasmus: Frings  kēͅt (Borgloon), ook: graesmès; benamingen gelden ook voor braamsluiper en tuinfluiter; ook siskeskaet komt als naam voor, maar de vogelsoort is onduidelijk.  kaet (Bilzen), graspieper: algemene naam voor insecteneter, vgl vr. 29; Frings  kēͅət (Diepenbeek), koolmees, mees:   kèjet (Wellen), spotvogel: BtS spelt "kijt", lijkt onwaarschijnlijk (en dan verwant aan Du keitsche, takje) geen spoor ervan bij Stevens TWb. Verwant met ket, in bijv, huisket "huismus"?  kēͅt (Tongeren), tjiftjaf:   kēͅt (Tongeren), kêet (Tongeren), tuinfluiter:   graesmès, kaet (Bilzen), c f HB/HS, 209  kɛ:it (Borgloon) III-3-2, III-4-1