| 18401 |
ondergoed |
lijnwaad:
kliəvət (L282p Achel),
mnl. lynwaet, lin(ne)waet, contractie van lijn (= vlas) + waad (= kleding, gewaad). Zie P.A.F. van Veen, Etymologisch Woordenboek. Van Dale Lexicografie, Utrecht, 1989: lijwaad.
lievet (L282p Achel),
ondergoed:
ondergoewd (L282p Achel)
|
Ondergoed, het algemene, gewone woord voor de onderkleding. [N 114 (2002)] || ondergoed, onderkleren [t onderdinge] [N 25 (1964)] || wasgoed, ondergoed
III-1-3
|
| 32731 |
ondergronden, woelen |
omwroeten:
ømvrytǝn (L282p Achel)
|
Met een aparte ploeg of met een aan de gewone ploeg bevestigde schaar, klauw of haak de zool, harde laag of bank onder (in) de voor breken of openrakelen. [N 11, 46; N27, 13b]
I-1
|
| 32640 |
ondergronder, woeler |
ondergrondse ploeg:
ondergrondse ploeg (L282p Achel),
wroeter:
vrytǝr (L282p Achel
[(later vervangen door de ondergrondse ploeg)]
)
|
De ondergronder of woeler was een aparte ploeg zonder kouter en riester, maar met een lansvormige schaar of twee in tegenovergestelde richting geplaatste messen vóór op het ploeghoofd. Vaak werd de oude aanaardploeg tot ondergronder omgebouwd. Met deze ploeg, die vóór de gewone ploeg uitging of erop volgde, werd de ondergrond, de bodem van de voor opengebroken. Men kon ook met de gewone ploeg de ondergrond losrakelen, door op de plaats van de voorschaar of het kouter, dan wel aan of onder de ploeghiel een woelschaar, een woelhaak of woelmes aan te brengen. Aldus werd tegelijkertijd de bovengrond geploegd en de ploegzool opengebroken. [N 11, 33j; N 11A, 76a + 76b + 77; N 27, 14]
I-1
|
| 33947 |
onderhaam |
onderhaam:
ǫndǝrhām (L282p Achel)
|
Twee met elkaar verbonden kussens die het paard onder het haam draagt, als dat te groot is. [N 13, 11; monogr.]
I-10
|
| 18257 |
onderhemd |
hemd:
hem (L282p Achel)
|
onderhemd, onderkledingstuk dat op het blote lijf gedragen wordt [im, emmek, hem, himp, kemsel, liejms, sjmies, vlok] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18313 |
onderjurk |
onderrok:
oͅndəroͅk (L282p Achel)
|
onderjurk, onderkleed met lijfje en schouderbanden [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 17619 |
onderlip |
onderlip:
ondərlep (L282p Achel),
oonderlip (L282p Achel),
oͅndərlep (L282p Achel),
onderste lip:
onderste lip (L282p Achel)
|
onderlip [N 10b (1961)] || Onderlip (onderlip, onderste lip) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 29064 |
ondermouw |
ondermouw:
ondǝrmǫw (L282p Achel)
|
Gedeelte van een tweedelige mouw dat zit aan de kant van het lichaam. Verschillende informanten noemen de ondermouw het onderste gedeelte van de mouw (L 282, Q 99*) of het gedeelte van de mouw onder de oksel (L 265, L 298a, L 299). Zie afb. 49. [N 62, 34c; MW]
II-7
|
| 18421 |
ondermouw [wld ii.7, p.84-85] |
ondermouw:
Onderste gedeelte van een mouw.
ondermow (L282p Achel)
|
Hoe noemt U de ondermouw (oksel?). Wat bedoelt U daarmee? [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 32701 |
onderploegen |
onderploegen:
ǫndǝr[ploegen] (L282p Achel)
|
In dit lemma zijn de benamingen verzameld voor het onder de grond werken van mest bij het ploegen van de zaaivoor en voor het onder- of omploegen van een mislukt gewas of een gewas dat als mest moet dienen, voorzover dat niet gedaan wordt op de ondiepe wijze, bedoeld in het vorige lemma. Termen als akkeren, diep ploegen, diep bouwen en voorgoed omdoen, die niet op het onderploegen van mest als zodanig wijzen, maar op de manier van ploegen waarbij dit gebeurt, zijn opgenomen in het lemma zaaivoren ca. [JG 1a + 1b; JG 2c; N 11, 44; N P, 14]
I-1
|