| 17878 |
in de rug slaan (met de vuist) |
doffen:
dóffe (L417p As),
stompen:
stómpe (L417p As)
|
slaan, Met een vuist in de rug ~ (doffen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19449 |
in de tuin werken |
hoven:
haove (L417p As)
|
Een tuin verzorgen (in de hof werken, hovenieren, hoven) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 32724 |
in de voor |
in de voor:
ęn ǝ [voor] (L417p As)
|
Het paard dat een karploeg trekt, gaat "in de voor", d.w.z. door de ploeggeul. Als een zwaardere rechtse ploeg door een tweespan getrokken wordt, gaat het rechter paard (van achteren gezien) door de voor. Door de voor gaat ook het rechter wiel van een rechtse karploeg. [JG 1a; N 11A, 141b; monogr.]
I-1
|
| 32162 |
in de was zetten |
boenen:
būnǝ (L417p As)
|
Het hout van meubels met was inwrijven. [N 56, 59a; monogr.]
II-12
|
| 32153 |
in dessin belijmen |
dessin maken:
desē̜ mākǝ (L417p As),
een bloem maken:
ęjn blōm mākǝ (L417p As),
figuren maken:
figyrǝ mākǝ (L417p As)
|
Het grondhout volgens een bepaalde tekening beplakken met fineer. Zie ook het lemma ɛfriserenɛ.' [N 56, 25]
II-12
|
| 21985 |
in goede conditie (zijn) |
goed (zijn):
ze is goot (L417p As),
in goede conditie (zijn):
in gooj kòndĭĕsĭĕ (L417p As),
in vorm (zijn):
in fòrm (L417p As)
|
Hoe zegt men van een duif: ze is in goede conditie? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22033 |
in groep vliegen |
trekken:
trekkə (L417p As)
|
Hoe benoemt U allerlei vormen van vliegen: in groep vliegen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 18227 |
in lompen gekleed |
lommelachtig:
lómmelèchtig (L417p As)
|
in lompen gekleed [haveloos, schabullig, schamel] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 20383 |
in ondertrouw gaan |
ondertrouw doen:
ónnertròw doon (L417p As),
ondertrouwen:
ónnertròwe (L417p As)
|
aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarbij de aanstaande echtgenoten elkaar verklaren dat zij met elkaar een huwelijk willen aangaan; in ondertrouw gaan [verscholen, ondertrouwen, ondertrouw doen, aantekenen] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 32711 |
in panden ploegen |
op panden ploegen:
ǫp pɛn plōgǝ (L417p As)
|
Panden zijn delen van een akker van gelijke of ongelijke grootte. Men ploegde in panden met name in de herfst. Ook in de tuinbouw is het gebruik bekend. Bij het ploegen in panden ontstaat er meestal een rug in het midden en in elk geval een diepe voor aan de zijkanten van het pand. Men ploegde een akker in panden a) als hij laaggelegen of vochtig was en - indien vlak geploegd - het overtollige water niet kwijt kon worden, b) als men er verschillende gewassen op wilde verbouwen, c) als de akker erg breed was en er dus bij de normale manier van ploegen veel tijd en arbeid verloren ging met het slepen over de lange wendstroken, d) als men te weinig mest had (in arme streken) om de akker in één keer te kunnen ploegen. Het ploegen in panden gebeurde meest met een niet-wentelbare of niet-keerbare ploeg. [N 11A, 130b; N 11, 48 + 49 + 53 add.; JG 1b + 1c + 2c add.; A 33, 1 + 16b add.; monogr.]
I-1
|