| 23801 |
het vuur wijden op paaszaterdag |
paasvuur:
paosveur (L295p Baarlo),
wijden van het vuur:
wieje van et veur (L295p Baarlo)
|
Het gebruik om op Paaszaterdag het vuur te wijden. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23618 |
het zielboek aflezen |
aflezen:
aaflaeze (L295p Baarlo),
de dodenlijst voorlezen:
de doeejelies veurlaeze (L295p Baarlo)
|
Het zielenboek aflezen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23619 |
het zielboek voldoen |
betalen:
betale (L295p Baarlo),
de dodenlijst betalen:
de doeejelies betale (L295p Baarlo)
|
Het zielenboek voldoen, de hiervoor verschuldigde bijdrage betalen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20678 |
hete bliksem |
hete bliksem:
heite bliksem (L295p Baarlo),
Syst. WBD
heite bliksem (L295p Baarlo)
|
Stamppot van appelen en aardappelen (appelprul, hemel en aarde, hete bleksem, onder en boven de tafel, hoog en laag?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20404 |
heten |
heten:
heite (L295p Baarlo, ...
L295p Baarlo)
|
heeten [SGV (1914)] || heten [DC 37 (1964)]
III-2-2
|
| 32923 |
heukeling |
opper:
ǫpǝr (L295p Baarlo)
|
Het kleinste hoopje halfdroog hooi dat men ''s avonds maakt door het opwerken van de rijen, om ze ''s anderendaags weer uiteen te gooien. De kaarten 40, 42 en 44, respectievelijk "heukeling", "hoop" en "opper" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 39, 41 en 43: "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 104 en 103 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 3a; A 42, 20a, L 36, 1; L 38, 38a; monogr.]
I-3
|
| 32924 |
heukelingen spreiden |
uitspreiden:
utšpręi̯ǝ (L295p Baarlo)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 32381 |
heulbank |
heulbank:
hø̜̄lbaŋk (L295p Baarlo)
|
Een houten stellage, meestal vervaardigd uit een boomstam, waar in het midden een verdieping is aangebracht waarin de te bewerken klompen met behulp van stukken hout kunnen worden vastgezet. De klompen wijzen daarbij met hun voorzijde schuin naar beneden. Zo kan de klompenmaker bij het uithollen van de binnenzijde van de klompen meer kracht kan zetten. Zie ook afb. 237. Aan de zijkant van de heulbank zijn vaak twee houten pennen aangebracht waarin de messen en boren die bij het heulen worden gebruikt, vastgezet kunnen worden wanneer ze gewet dienen te worden. Zie ook het lemma ɛwettoppenɛ.' [N 97, 14a; A 29, 2; A 29a, 5a; monogr.]
II-12
|
| 17645 |
heup |
heup:
höp (L295p Baarlo)
|
heup [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 24912 |
heuvel, kleine hoogte |
hoogte:
huuegd (L295p Baarlo)
|
hoogte [SGV (1914)]
III-4-4
|