| 20347 |
kleinkinderen |
kleinkind:
kleenkind (Q083p Bilzen)
|
kleinkind [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 24450 |
kleinste dier van het nest |
achterblijvertje:
ook: ki?ningske, opruimerke
aaterbleiverke (Q083p Bilzen),
koninkje:
ook: aaterbleiverke, opruimerke
kiëningske (Q083p Bilzen),
opruimertje:
ook: ki?ningske, aaterbleiverke
opruimerke (Q083p Bilzen)
|
Hoe noemt u het kleinste, jongste, zwakste dier van een nest [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 28720 |
kleinwerken |
klein goed maken:
klēn gūt mǭkǝ (Q083p Bilzen),
klein werk maken:
klēn wɛrk mǭkǝ (Q083p Bilzen),
kleine stukken maken:
klēn stękǝ mǭkǝ (Q083p Bilzen)
|
Het maken van kleine kledingstukken zoals broeken en vesten. [N 59, 194a]
II-7
|
| 29433 |
kleiput |
kot:
kū.t (Q083p Bilzen)
|
Delfplaats waar klei als grondstof voor de fabricage van bakstenen met de hand wordt gestoken of met behulp van machines wordt afgegraven. [N 98, 17; monogr.]
II-8
|
| 29654 |
kleischop, kleihak |
hak:
hak (Q083p Bilzen),
schoep:
šuǝp (Q083p Bilzen)
|
Schop of hak die door de kleibereider wordt gebruikt om de grondstof te mengen. [N 98, 66; monogr.]
II-8
|
| 29620 |
kleisteker |
leemsteker:
lēmstē̜kǝr (Q083p Bilzen),
steker:
stē̜kǝr (Q083p Bilzen)
|
Arbeider die de klei voor bakstenen, dakpannen en greswaren steekt en in voorkomende gevallen ook op het vervoermiddel laadt. [N 98, 28; monogr.]
II-8
|
| 29644 |
kleivoorraadplaats |
leemkot:
lēmkuǝt (Q083p Bilzen)
|
Plaats op het fabrieksterrein waar men de gestoken klei opslaat. De klei ondergaat daarbij al een eerste menging doordat de verschillende kleisoorten door elkaar gestort worden. Bovendien wordt de grondstof blootgesteld aan de invloed van regen en vorst waardoor ze mals wordt. [N 98, 59; monogr.]
II-8
|
| 31414 |
klembeugel van een kolomboormachine |
mandrin:
mǫndrē̜ (Q083p Bilzen)
|
Elk van de verstelbare beugels waarmee het werkstuk op de boortafel van een kolomboormachine wordt vastgezet. [N 33, 161]
II-11
|
| 31318 |
klemhaak |
bankhaak:
baŋk(h)uǝk (Q083p Bilzen)
|
Werktuig dat dient om een werkstuk op het werkbankblad vast te zetten. In de eenvoudigste uitvoering bestaat het uit een schacht waarop bijna haaks een arm is aangebracht. Om een werkstuk te klemmen wordt de schacht door een gat in het blad van de werkbank gestoken waarna het geheel met een hamer wordt vastgetikt. Zie ook afb. 56. Er bestaan ook uitvoeringen waarbij de arm scharnierend aan de schacht is bevestigd. Aan één uiteinde van de arm is dan een klemplaat aangebracht, aan het andere een draadspil. Door de draadspil aan te draaien wordt de klemplaat met grote kracht aangedrukt. [N 33, 289]
II-11
|
| 32021 |
klemmen |
in de tang zetten:
ęn dǝ taŋ zętǝ (Q083p Bilzen)
|
Een werkstuk met behulp van een lijmknecht, bankschroef, bankhaak, etc. vastzetten, bijvoorbeeld bij het lijmen. [N 53, 224a]
II-12
|