33308 |
grondkrabber |
krabber:
krabǝr (L317p Bocholt)
|
Haak voor het losmaken van de grond en voor het wieden. Het gereedschap heeft 3 of 4 vaak sterk gebogen tanden, die langer zijn dan de tanden van de hark; door de tanden onderscheidt de krabber zich ook van de schoffel die een mesvormig werkend deel heeft, maar voor hetzelfde doel wordt gebruikt. Hier is het materiaal uit de vragen N 18, 55-63 opgenomen waarbij niet het doel om mest te trekken is aangegeven. Bij het hier opgenomen type mesthaak is dit àndere doel, het losmaken van de grond, uitdrukkelijk aangegeven. Het materiaal geeft geen aanleiding voor een apart lemma Aardappelkrabber. Naast het voornaamste doel waarvoor dergelijke haken worden gebruikt, het loswoelen van de grond, zijn nog drie andere doeleinden en typen haken in het materiaal onderscheiden die aan het einde van lemma zijn opgenomen: 1. haak voor het schoonmaken van sloten e.d.; 2. brandhaak of weerhaak om iets op te vissen: gereedschap met zeer lange steel; het werkend deel is een (oude) riek met omgekrulde scherpe punten; het was vroeger op de boerderij voorhanden om in geval van brand het brandend dakstro weg te kunnen trekken; 3. drie-of viertand, naar de vorm benoemd, zonder enige aanwijzing voor het gebruiksdoel. [N 18, 55 - 63, behalve hetgeen is ondergebracht in het lemma mesthaak in WLD.I.1, p. 12; monogr.; add. uit JG 1a, 1b]
I-5
|
20346 |
grootmoeder |
bonne-ma:
bomma (L317p Bocholt),
grootma:
grōētma (L317p Bocholt),
grootmoeder:
groetmooder (L317p Bocholt),
grote ma:
groetema (L317p Bocholt),
peetje:
dim. "peet
pétje (L317p Bocholt)
|
grootmoeder [ZND 35 (1941)] || grootmoeder (gemeenzaam/kindertaal) [ZND 35 (1941)]
III-2-2
|
25007 |
grootte |
grootte:
grīdə (L317p Bocholt)
|
grootte [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
20288 |
grootvader |
bon-pa:
bompa (L317p Bocholt),
grootvader:
groetvader (L317p Bocholt),
grote pa:
groete pa (L317p Bocholt, ...
L317p Bocholt),
peter:
pieter (L317p Bocholt)
|
grootvader [ZND 35 (1941)] || grootvader (gemeenzaam/kindertaal) [ZND 35 (1941)]
III-2-2
|
33317 |
grote boerderij |
geleg:
gǝlēt (L317p Bocholt),
gǝlęi̯x (L317p Bocholt),
gǝlɛx (L317p Bocholt),
grote plaats:
grǫu̯tǝ plāts (L317p Bocholt),
winning:
weneŋ (L317p Bocholt)
|
Als grootte-aanduiding geven de informanten doorgaans "minstens 10 hectare" op; soms noemt men ook de maximum-grootte erbij, bijvoorbeeld: "van 20 tot 40 ha". Het aantal paarden is vaak ook criterium om van een "groot bedrijf" te spreken, bijvoorbeeld "boerenhof met paarden" (L 213). In het Leuvens materiaal, lijst 35, vraag 59 is gevraagd naar geleg of geleeg, met de betekenis "boerderij met grote landerijen". Naast specifieke termen vindt men tussen de opgaven ook enige omschrijvingen, vooral met behulp van het bijvoeglijk naamwoord groot. Voor de fonetische documentatie van het type boerderij, zie het lemma "boerderij, algemeen" (1.1.1). [A 10, 2c en 3a; L 22, 1a; L 35, 59; monogr.; add. uit L 38, 22]
I-6
|
25060 |
grote hoeveelheid, hoop |
hoop:
einen huip (L317p Bocholt),
hoͅup (L317p Bocholt)
|
grote hoeveelheid || hoop [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
23543 |
grote hostie |
grote hostie (<lat.):
groete hostie (L317p Bocholt)
|
De grote hostie, op de pateen gelegen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
22504 |
grote knikker |
kerboets:
kerboets (L317p Bocholt),
kerbutsj (L317p Bocholt)
|
Grosser Wurfmurmel. || Knikker: de grote (glazen of stenen). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
19502 |
grote schoonmaak |
grote poets:
groete poets (L317p Bocholt)
|
Hoe noemt u de voorjaarsschoonmaak? [N105 (2000)]
III-2-1
|
22675 |
grote trom |
grosse caisse (fr.):
groskaes (L317p Bocholt, ...
L317p Bocholt)
|
Dikke trom. || een grote trom [trombol] [N 112 (2006)]
III-3-2
|