e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Bocholt

Overzicht

Gevonden: 5095
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
beetje, een weinig beetje: èè bitsje (Bocholt), get: get (Bocholt), hoop: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  einen huip (Bocholt), ietje: (soms, vertederend).  etekes (Bocholt), iets: eet(s) (Bocholt), ietsje: Syn.: eet of wat.  eetskes (Bocholt), klatsje: (is verkleinwoord van klats of klatz).  kletske (Bocholt), klitsklatsje: (bijv. van drank).  klitskletske(s) (Bocholt), klocht: (deze benaming gebruikt men voor vee of vogels).  klocht (Bocholt), kudde: bijv. köd stuiw. (deze benaming gebruikt men voor vee of vogels).  köd (Bocholt), snifje: èè snifke (Bocholt), tikje: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  èè tikske (Bocholt), trobbel: (tribbelke).  tròbbel (Bocholt), troep: tròp (Bocholt), wat, een -: LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).  wat (Bocholt) beetje, een weinig || geringe hoeveelheid III-4-4
bef zeverlapje: zeiverlepke (Bocholt) bef [bavetje, sammezetje, bandje] [N 23 (1964)] III-1-3
begijn begijn: begien (Bocholt) De bewoonster van een begijnhof [begien]. [N 96D (1989)] III-3-3
beginnen te rijzen aan het gaan zijn: het deeg es ānt gūn (Bocholt) De informant van Q 121 merkt op dat dit "beginnen te rijzen" gebeurt van b.v. zondagavond tot 4 uur maandagmorgen. [N 29, 25a; monogr.] II-1
beginvoren in het midden rug: rø̜k (Bocholt  [(twee voren)]  ) Bedoeld worden de eerste (2, 4 of 6) voren die men midden op de akker of op een pand tegen elkaar aan slaat, als deze bijeengeploegd moet worden. Men kan deze voren, vooral als het laaggelegen of natte grond betreft, bewust wat hoger opploegen, om een rond akker- of pandoppervlak te krijgen. [N 11, 60; N 11A, 119c; JG 1a + 1b] I-1
begrafenis begrafenis: begrafenis (Bocholt), bəgrééfənis (Bocholt) begrafenis; een schoone - [ZND 32 (1939)] III-2-2
begrafenismaal begrafeniskoffie: begrafeniskoffie (Bocholt) het begrafenismaal [N 96D (1989)] III-2-2
begraven begraven: begrave (Bocholt) een dode begraven [graven, zinken, begraven] [N 115 (2003)] III-2-2
beiaard klokkenspel: klokk`spe:l (Bocholt) het geheel van zuiver gestemde klokken die door een klavier bespeeld kunnen worden [klokkenspel, beiaard, carillon] [N 112 (2006)] III-3-2
beide beenderen van de onderkaak kaak(s)been: kākbɛ̄i̯n (Bocholt), kaken: kākǝ (Bocholt), scharen: šīǝrǝ (Bocholt) De scha(a)r(en) of het geschaar vormen de beide takken van de onderkaak van een paard en de uitwendige holte in het achterste gedeelte daarvan. Zie afbeelding 2.11. [JG 1a, 1b; N 8, 30] I-9