| 18552 |
lange smalle broekzak |
metertas:
meitərteͅs (P218p Borlo)
|
zak, lange smalle ~ buiten op de rechter broekspijp waarin een lang mes e.d. wordt weggestoken [bokseschej] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33074 |
langgerekt hok |
haag:
haag (P218p Borlo),
lange mandel:
laŋǝ māndǝl (P218p Borlo)
|
De langwerpige stuik waarin de schoven in een dubbele rij tegen elkaar aan staan; zonder menneke. Volgens Goossens 1963, krt. 36 komt deze "walenmandel" met name voor in West-Haspengouw, maar ook elders in Limburg is deze vorm bekend en heeft hij een eigen naam. [N 15, 57a; JG 1d, 2c; Goossens 1963, krt. 36; monogr.]
I-4
|
| 33323 |
langwerpige hoeve |
lange winning:
lāŋ [winning] (P218p Borlo)
|
Het boerderijtype waarbij het bouwwerk één geheel vormt; woonhuis, stallen en schuur zijn achter elkaar geplaatst onder één langwerpig dak. Navraag naar verschil in boerderijbenaming, wanneer de grote deeldeuren in de korte of achtergevel dan wel in de lange zijgevel zijn geplaatst, leverde slechts in drie plaatsen een positief antwoord op. Zie onder de typen gevelhuis en schuurhuis. Waar de opgave identiek is met de naam voor de boerderij in het algemeen (zie het lemma "boerderij, algemeen" (1.1.1), ook voor de fonetische documentatie van deze opgaven), is doorgaans aangegeven dat dit het enig voorkomende type is en derhalve geen specifieke naam heeft. De betreffende opgaven zijn wel bij de lemmata 1.2.1 - 1.2.6 opgenomen en staan telkens vooraan in het lemma. Bij het type langhuis is niet goed uit te maken of het om een woordgroep dan wel om een samenstelling gaat. Slechts een enkele keer is het woordaccent aangegeven; dan staat het op de eerste lettergreep. Zie kaart 4, het Ten Geleide van deze aflevering en afbeelding 2. [N 4A, 1a en 2a]
I-6
|
| 33774 |
langwerpige streep van voorhoofd tot neus |
witte muil:
wetǝ māl (P218p Borlo)
|
Lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus, naar de vorm in verschillende soorten onderscheiden: ''halve'' en ''doorlopende bles'', ''smalle'' en ''brede bles'', en als ze de hele snuit wit kleur: witte muil, snuit. Zie ook het vorige lemma met ''bles'' in de betekenis van een naar voren hangend haarbosje. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b; N 8, 27b]
I-9
|
| 25079 |
langzaam, traag |
dat gaat niet rap:
da gie ni rap (P218p Borlo)
|
Langzaam. Dat gaat langzaam [ZND 37 (1941)]
III-4-4
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lanteen (P218p Borlo)
|
lantaarn [ZND 37 (1941)]
III-2-1
|
| 18346 |
lap op een schoen |
lap:
lap (P218p Borlo)
|
lap op een schoen, stukje leer waarmee het bovenleer wordt gerepareerd [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 17814 |
laten |
laten:
loten (P218p Borlo)
|
laten [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 33384 |
latierboom |
box (e.):
boks (P218p Borlo)
|
Een horizontale balk die twee paarden van elkaar scheidt, meestal hangend aan kettingen, ook wel vast verbonden. In plaats van een hangende balk kan er ook een eenvoudige en niet al te hoge tussenwand zijn. Met een box is een afgeschutte ruimte voor één paard bedoeld; de tussenwand maakt dan deel uit van de box. [N 5A, 59d; monogr.]
I-6
|
| 24990 |
lauw |
lauw:
lauw weter (P218p Borlo)
|
Lauw. Lauw water [ZND 37 (1941)]
III-4-4
|