| 19664 |
kelder |
kelder:
keldər (P218p Borlo)
|
kelder [RND]
III-2-1
|
| 21283 |
kerel |
kadee:
kadij (P218p Borlo),
kerel:
ki:l (P218p Borlo)
|
kerel [RND]
III-3-1
|
| 20256 |
kerkhof |
kerkhof:
o
ɛt kɛrkof (P218p Borlo)
|
Kerkhof. [ZND 14 (1926)]
III-3-3
|
| 23298 |
kerkklok |
klok:
de slager van de klok (P218p Borlo)
|
De klepel van de klok. [ZND 28 (1938)]
III-3-3
|
| 22803 |
kermis |
kermis:
kirməs (P218p Borlo)
|
kermis [RND]
III-3-2
|
| 31190 |
ketellapper |
pannenlapper:
panǝlɛpǝr (P218p Borlo)
|
Rondreizende handwerksman die ketels en pannen repareert. De invuller uit Q 168 maakt onderscheid tussen de pannenlapper, die leurt met potten en pannen, en de zinkwerker, een gegoede ambachtsman. Zie ook het lemma "zinkwerker". Zie voor het woordtype pottefer ook Wld ii.8, pag. 1. [N 66, 54b; L 34, 17a-b; monogr.]
II-11
|
| 32783 |
kettingeg, weide-eg |
heks:
hɛks (P218p Borlo)
|
De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ´akkersleep, weidesleep´ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.]
I-2
|
| 19496 |
keukenrek |
reebank:
ribaŋk (P218p Borlo)
|
de plank waarop het keukengerief wordt gezet [ZND 32 (1939)]
III-2-1
|
| 18208 |
kiel |
kieltje:
kīlkə (P218p Borlo)
|
kiel, blauwlinnen of katoenen jasje van werklieden en boeren [keel, toekiel, kletsjet, plankerten] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
schieten:
sxii̯tǝ (P218p Borlo)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|