| 29109 |
innemen |
innemen:
ennimǝn (Q071p Diepenbeek)
|
Door het innaaien van zomen of plooien het kledingstuk nauwer maken. [N 62, 23a; MW]
II-7
|
| 25607 |
inschieten |
indoen:
endūn (Q071p Diepenbeek),
inschieten:
enšȳtǝn (Q071p Diepenbeek),
ęjnšȳtn (Q071p Diepenbeek)
|
Het deegbrood in de oven plaatsen. Een bij het werkwoord opgegeven object "brood", "deeg" e.d. wordt niet gedocumenteerd evenmin de bepaling "in de oven". [N 29, 45a; L 40, 13b; N 29, 30b; monogr.; OB 2, 2d]
II-1
|
| 30723 |
inschuren |
afpuimen:
ǭfpǫwmǝ (Q071p Diepenbeek)
|
Met behulp van puimsteen in de natte grondverf schuren om de verflaag te doen hechten aan de plamuurlaag. [N 67, 72b]
II-9
|
| 25236 |
inslaan, van de bliksem gezegd |
de bliksem is ingeslagen:
den donner is ejngeslaage
dən doͅnər es eͅjngəsloͅgə (Q071p Diepenbeek),
inslaan:
einslön
e͂ͅĭnslø͂ͅn (Q071p Diepenbeek)
|
inslaan, gezegd van de bliksem [afvellen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 34001 |
inspannen |
inspannen:
enjspanǝ (Q071p Diepenbeek),
voorspannen:
vørspanǝ (Q071p Diepenbeek)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|
| 28556 |
interen |
voorraad verbruiken:
vø̄rroat vǝrbrø̜jkǝ (Q071p Diepenbeek)
|
Het aanspreken van de voorraad voedsel door de bijen, die in wintertros bij elkaar hangen. [N 63, 54c]
II-6
|
| 23605 |
introïtus |
introtus (<lat.):
introïtus (Q071p Diepenbeek)
|
De intredezang, introïtus, door het koor gezongen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28638 |
invoederen |
opvoederen:
opvoj.ǝrǝn (Q071p Diepenbeek)
|
Het voeren van de bijen met suiker, suikerwater of voederhoning, voordat de winter begint. [N 63, 110a; monogr.]
II-6
|
| 28634 |
inwinteren |
inwinteren:
ęjnwęjntǝrǝn (Q071p Diepenbeek),
opzetten:
opzɛtǝn (Q071p Diepenbeek)
|
Het gereedmaken van de bijen door de imker voor de winter. Met uitzondering van de darren overwintert het gehele volk. Meestal brengt de imker de bijen over naar een korf waarvan de raten in hetzelfde jaar zijn opgewerkt. Hij voorziet ze van voedsel en probeert ze tegen de ergste kou te beschermen. Met een rolletje stro omwonden met wilgebast, een plankje of schuifje sluit de imker het vlieggat af. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat het het beste is de bijen in de wintertijd zoveel mogelijk met rust te laten. Zelf zorgen ze voor de vereiste temperatuur in de woning tijdens de winterperiode. In deze periode vertragen de functies van de bijen, maar er is geen sprake van een echte winterslaap. [N 63, 107a; N 63, 107b; N 63, 108a; N 63, 108b, Ge 37, 190; monogr.]
II-6
|
| 22328 |
inzet bij het spel |
inzet:
einzet (Q071p Diepenbeek),
zaad:
Wier innn? Iech höb mènne zooëd al trög Weeral een knikker. Ik heb al mijn inzet terug.
zooëd (Q071p Diepenbeek)
|
het geheel van wat door elk van de spelers in een partijtje op het spel gezet is [pot, zaad, zwik] [N 112 (2006)] || Inzet.
III-3-2
|