| 22849 |
onpaar |
omp:
omp (Q027p Doenrade)
|
onpaar [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 20922 |
onrijp |
groen:
greun (Q027p Doenrade),
WLD
greun (Q027p Doenrade)
|
Niet rijp, gezegd van een vrucht (groen, groenweg). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 33535 |
onrijp, onvolgroeid |
groen:
greun (Q027p Doenrade),
WLD
greun (Q027p Doenrade),
onrijp:
onriep (Q027p Doenrade),
verkruppeld:
WLD
verkröppelt (Q027p Doenrade)
|
Niet rijp, gezegd van een vrucht (groen, groenweg). [N 82 (1981)] || onrijp [SGV (1914)] || Onvolgroeid, gezegd van een vrucht (vernepen). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 19278 |
onrustig |
rusteloos:
röstelôos (Q027p Doenrade)
|
geen rust hebben [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19279 |
onrustig persoon |
onruhige (< du.):
onruijichə (Q027p Doenrade)
|
een onrustig persoon, persoon die geen rust heeft, altijd bezig is [roerwarmoes] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18973 |
onschuldig |
onnozel:
onneuzel (Q027p Doenrade)
|
zonder besef van goed en kwaad [onschuldig, onnozel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18861 |
onstuimig |
rebels:
rebelsj (Q027p Doenrade)
|
moeilijk in toom te houden, driftig [wreed, onstuimig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21901 |
ontberen |
missen:
missə (Q027p Doenrade)
|
niet hebben waaraan men grote behoefte heeft, ontberen [derven] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 20581 |
ontbijt |
koffie, de -:
koffie (Q027p Doenrade),
morgenskoffie, de -:
mörguskòffe (Q027p Doenrade),
ontbijt
murgeskoffie (Q027p Doenrade)
|
maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: ¯s morgensvroeg [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 17706 |
ontlasting hebben |
afgaan:
aafgaon (Q027p Doenrade)
|
ontlasting hebben [afgon, leutere, driete, zijn gevoeg doen] [N 10c (1995)]
III-1-1
|