| 24179 |
kauw |
dool:
daol, dölke (Q198p Eijsden),
dooltje:
daol, dölke (Q198p Eijsden)
|
Hoe heet de kauw? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 17628 |
keel, strot |
gorgel:
geurgel (Q198p Eijsden),
strot:
schtroot (Q198p Eijsden),
štrwōēt (Q198p Eijsden),
ṣtru.əd (Q198p Eijsden)
|
keel (uitwendig) (strot) [DC 01 (1931)] || strot [RND], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 18070 |
keelpijn |
keelpijn:
kɛ.lpɛ.in (Q198p Eijsden)
|
keelpijn [RND]
III-1-2
|
| 32739 |
keerstrook, wendakker |
voordel:
vȳǝli (Q198p Eijsden)
|
Een keerstrook of wendakker is de strook grond aan het uiteinde van een akker waar de ploeg gekeerd wordt. Deze strook ligt dwars op de voren van het groot geploegd middendeel. Als men aan het voor- en achtereinde van de akker niet op een belendend perceel of op een (veld)weg kan keren, heeft men twee keerstroken nodig. De keerstrook werd oorspronkelijk onbebouwd gelaten, later werd ook zij geploegd. Een aantal benamingen kunnen ook gebruikt worden voor een strook grond in het algemeen; soms wordt er op gewezen dat men via de keerstrook toegang tot het perceel heeft. De strook is breder dan normaal als zij in de lengterichting aan een afrastering of haag grenst. [N 11, 50a; N 11A, 125b; JG 1a + 1b + 1c; JG 2b + 2c; A 18, 2; A 33, 3 + 4 + 5; L B2, 246; L 34, 47; monogr.]
I-1
|
| 22418 |
kegelen |
kegelen:
doͅ wərt ne.t mi chəke.gəlt (Q198p Eijsden),
kaegele (Q198p Eijsden)
|
De sport bedrijven waarbij met een bal getracht moet worden een aantal flesvormige houten voorwerpen, de kegels, omver te werpen [kegelen, bollen]. [N 88 (1982)] || met de kegels wordt er niet meer gespeeld [RND]
III-3-2
|
| 19664 |
kelder |
kelder:
kaldər (Q198p Eijsden)
|
kelder [RND]
III-2-1
|
| 19053 |
kennen |
kennen:
kēnne (Q198p Eijsden)
|
kennen [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 21283 |
kerel |
kerel:
kejl (Q198p Eijsden),
ki.əl (Q198p Eijsden)
|
kerel [RND], [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 23214 |
kerk |
kerk:
kĕrk (Q198p Eijsden)
|
kerk [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 20256 |
kerkhof |
kerkhof:
kirkuf (Q198p Eijsden),
(é: de verlengde i van lip).
ké.rkóf (Q198p Eijsden)
|
Kerkhof [kirkuf, doeje kirkuf]. [N 06 (1960)]
III-3-3
|