| 20479 |
leeftijd, ouderdom |
leeftijd:
gè luipt nog good veur eemes op eure
lèftied (L320a Ell)
|
U loopt nog flink voor iemand van uw leeftijd. [DC 39 (1965)]
III-2-2
|
| 20953 |
leeg, gezegd van een noot |
doof:
eigen fon. aanduidingen ein dauf noot
dauf (L320a Ell, ...
L320a Ell)
|
leeg, gezegd van een noot waar niets in zit (leeg, doof, loos). [N 82 (1981)]
I-7, III-2-3
|
| 24973 |
leeg, niets bevattend |
leeg:
leeg (L320a Ell, ...
L320a Ell)
|
niets bevattende, gezegd van bijv. een fles, een kan, een kopje, een vertrek etc. [leeg, ijdel, ijl] [N 91 (1982)] || waar niemand aanwezig is, leeg [wepel, verlaten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 19365 |
leep, doortrapt |
gehaaid:
(aai Ned.).
gehaadj (L320a Ell),
stiekum:
stiekum (L320a Ell)
|
vindingrijk in het bedenken van hulpmiddelen, in het raden etc.; [slim, ont, vossebillen gegeten hebbend] [N 85 (1981)] || zeer bedreven in het kwaad of in het kwaaddoen en daarbij zeer sluw [slim, glad, hel, leep, doortrapt] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21593 |
leerling |
leerling:
lieërling (L320a Ell)
|
de persoon [meestal een kind] dat onderwijs krijgt [leerder, leer] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 23613 |
leerrede |
preek:
preek (L320a Ell)
|
Een leerrede, een tekstverklarende preek, homilie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34067 |
lege eerste koe |
guste vaars:
gø̜stǝ vē̜s (L320a Ell),
schot:
sxǫt (L320a Ell),
vaars:
vē̜rs (L320a Ell)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 33409 |
legnest |
legnest:
lęknęst (L320a Ell)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
leije (L320a Ell)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
leiden:
lɛi̯ǝ (L320a Ell)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|