| 24834 |
stuifmeel |
stuifmeel:
stȳfmę̄l (Q018p Geulle)
|
Het eiwitten- en vettengedeelte van het bijenvoedsel. Het wordt door de haalbijen uit de mannelijke geslachtsceldragers van een plant gehaald. [N 63, 43a; Ge 37, 143]
II-6
|
| 28541 |
stuifmeelkrans |
stuifmeelkrans:
stȳfmę̄lkrans (Q018p Geulle)
|
De groep cellen op een raat waarin het stuifmeel wordt opgeslagen. [N 63, 46b]
II-6
|
| 24932 |
stuifzand |
fijn zand:
fien zand (Q018p Geulle),
stub:
sjtöb (Q018p Geulle),
stuifzand:
sjtuufzand (Q018p Geulle, ...
Q018p Geulle)
|
stuifzand, zeer fijn zand dat gemakkelijk stuift [vliegzand, stobber] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24598 |
stuifzwam |
stuifzwam:
sjtuufzjwam (Q018p Geulle)
|
Stuifzwam: het vruchtlichaam is ei- tot peervormig en scheurt bij rijpheid van de sporen aan de top open; de jonge exemplaren zijn eetbaar (stuifbal, aardbuil, wolfsvrees, domper, foens, poefer, bovist). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 22362 |
stuiken |
scharren:
voor meisjes ! De huuve moeten met gebogen wijsvinger in een kuiltje gesjard worden.
sjarren (Q018p Geulle),
stuiten:
sjtuute (Q018p Geulle)
|
Hoe worden (werden) de verschillende knikkerspelen genoemd? [N R (1968)] || Knikkers in een kuiltje gooien [stoeken, stuiten]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 31288 |
stuikmachine |
stuikmachine:
stukmašin (Q018p Geulle)
|
Machine, die in grote smederijen wordt gebruikt voor het opstuiken van ijzeren staven. Ze is van twee verstelbare klembekken voorzien, waarin de gloeiende stukken worden vastgezet; door het draaien van een vliegwiel worden de stukken tegen elkaar geperst (Zwiers II, pag. 435). [N 33, 284; N 33, 253]
II-11
|
| 18061 |
stuipen |
stuipen:
sjtuupe (Q018p Geulle),
sjtuupe höbbe (Q018p Geulle)
|
stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (spinneweven, spinnevoeten, stuiptrekken, in de gaven liggen). [N 84 (1981)] || stuipen: Plotselinge spiersamentrekkingen, vaak samen met bewustloosheid; stuipen (stuipen, gaven, convulsies). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25198 |
stuiven van droog zand of stof |
mouwen:
mouwe (Q018p Geulle)
|
beginnen te stuiven (er waait droog en fijn zand rond bij winderig weer] [stieven, smoren, mouwen, stobberen, stubbelen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 21377 |
stuiver |
knabje:
e knèpke (Q018p Geulle)
|
stuiver, een ~ [5-centstuk] [stuiver, nikkel?]. Is er verschil in benaming tussen de oude nikkelen en de nieuwe bronzen stuiver? [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33643 |
stuk grond |
stuk land:
stuk land (Q018p Geulle)
|
Een stuk land, een perceel grond, in het algemeen. [N 27, 2a en 5; Vld.; N 11A, 106 add.; monogr.]
I-8
|