| 20347 |
kleinkinderen |
kindskind:
vero.
kênskeend (Q193p Gronsveld),
kleinkind:
klejnkeend (Q193p Gronsveld),
kleinkinder:
kleinkeender (Q193p Gronsveld)
|
kleinkind || kleinkind, kleinkinderen [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 24450 |
kleinste dier van het nest |
kruppel:
Gronsveld Wb
kröppel (Q193p Gronsveld)
|
Hoe noemt u het kleinste, jongste, zwakste dier van een nest [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20348 |
kleinzoon |
kleinzoon:
kleinzoeïn (Q193p Gronsveld)
|
kleinzoon [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 33912 |
klemhoef |
klemvoet:
klɛmvōt (Q193p Gronsveld)
|
Een hoef waarvan de achterste helft te nauw is en waarvan de verzenwand in plaats van naar buiten naar binnen gebogen is. Klemhoef kan langzaam ontstaan door het te veel versnijden van de straal en de drachten, evenals door te grote droogte van de hoeven, te hoge kalkoenen en te weinig beweging. [A 48A, 17; N 52, 32b]
I-9
|
| 32681 |
klemmateriaal |
kijl:
kī.l (Q193p Gronsveld
[(mv k ̇ęi̯l)]
),
(mv k ̇ęi̯lǝ)
k ̇ęi̯l (Q193p Gronsveld),
kram(p):
(mv krɛm)
krā.mp (Q193p Gronsveld)
|
Met allerlei materialen werden kouter, voorschaar en voorsteun van de ploeg op de ploegbalk vastgezet. Hierdoor bleven deze onderdelen verwisselbaar of verstelbaar. Welk materiaal men gebruikte, blijkt uit de opgaven. [N 11, 31.III.b; N 11A, 140b]
I-1
|
| 22377 |
kleppers |
kleppers:
klepper (Q193p Gronsveld)
|
Elk van de twee houtjes die de kinderen tussen de vingers snel tegen elkaar slaan om een klepperend geluid te maken [klepper, klapper, kap, klakker]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21353 |
kletsen |
gusselen:
gössele (Q193p Gronsveld),
zauwelen:
WNT: zauwelen, zavelen, zawwelen. 4. (Limb., de Meierij) Beuzelachtige, onbeduidende praat houden; bazelen, kletsen, wauwelen, zaniken, zeuren.
zawele (Q193p Gronsveld),
zeveren:
Van Dale: zeveren, (gew.), 2. flauwe praat verkopen; -zaniken.
zèivere (Q193p Gronsveld)
|
praten over dingen van weinig belang [zwetsen, kletsen, snateren, klappen, snabbelen, wauwelen, teuten, kebbelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 33997 |
kletsoor |
kansool:
kansul (Q193p Gronsveld)
|
Dun eindje touw of leer aan het uiteinde van het snoer van de zweep dat bij het slaan een knallend geluid maakt. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 13, 95c; L B2, 245; L 8, 142; R 14]
I-10
|
| 21337 |
kletswijf |
wauwel:
wawel (Q193p Gronsveld)
|
een vrouw die veel babbelt [klappei, kwek, kommeer, blameer, viswijf] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 29825 |
klezoor |
kwartje:
kwārtšǝ (Q193p Gronsveld)
|
Het vierde deel van een metselsteen. Een klezoor kan door de metselaar worden gemaakt door met de troffel een deel van een metselsteen af te slaan. Daarnaast worden klezoren ook in het juiste formaat door steenfabrieken vervaardigd. Ze dienen tot het verkrijgen van een deugdelijk metselverband. [N 31, 19c; monogr.]
II-8
|