| 33842 |
kwaadaardig roepen |
jonken:
jōŋkǝ (Q193p Gronsveld
[(janken)]
)
|
[N 8, 47 en 67]
I-9
|
| 19314 |
kwaadspreekster |
klappei:
klappej (Q193p Gronsveld, ...
Q193p Gronsveld),
klappeies:
klappiéjes (Q193p Gronsveld)
|
een vrouw die graag kwaad spreekt [kwadetong, vuiletong, kommeer, blameer, klapei] [N 85 (1981)] || kwaadspreekster
III-1-4
|
| 17983 |
kwaal |
kwaal:
kwaol (Q193p Gronsveld, ...
Q193p Gronsveld)
|
kwaal [DC 02 (1932)] || Kwaal: langdurige of telkens terugkerende ziekte (kwaal, klets, muik). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22519 |
kwajongen (kaartspel) |
kwajongen:
koejounge (Q193p Gronsveld)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 24341 |
kwaken |
kwaken:
Gronsveld Wb
kwake (Q193p Gronsveld)
|
Hoe noemt u een kwakend geluid maken, gezegd van kikkers (kwaken) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 18156 |
kwakzalver |
kwakzalver:
kwakzalver (Q193p Gronsveld)
|
Kwakzalver: iemand die onbevoegd de geneeskunde beoefent en vaak nutteloze dingen, middelen tegen alle mogelijke ziektes verkoopt (charlatan, plak, polak, kwakkelaar, waterziender, pisdokter, kwakzalver). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19136 |
kwalijk |
kwalijk:
koelik (Q193p Gronsveld)
|
kwalijk
III-1-4
|
| 21693 |
kwanselen |
sjachelen:
sjachele (Q193p Gronsveld)
|
voortdurend zijn goederen ruilen of verkopen [kwanselen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 25340 |
kwart roede, maat |
vierdelroede:
viedelrooj (Q193p Gronsveld)
|
kwart roede
III-4-4
|
| 25341 |
kwart, vierde deel, maat |
vierdel:
E viedel ejjer = 26 stuks eieren.
viedel (Q193p Gronsveld)
|
kwart, vierde deel
III-4-4
|