| 19566 |
handveger, stoffer |
handveger:
handvéger (L286p Hamont)
|
handveger [ZND 02 (1923)]
III-2-1
|
| 25056 |
handvol |
handvol:
hamfel (L286p Hamont)
|
handvol, zoveel als een hand vult
III-4-4
|
| 33006 |
handvol -bij het zaaien |
grob:
grǫp (L286p Hamont),
handvol:
hā.fǝl (L286p Hamont)
|
Strikt genomen lopen twee begrippen dooreen: de handvol zaaigoed die de zaaier telkens uit het zaaikleed of de zaaibak neemt om deze uit te strooien, en de hoeveelheid die men, dan vaak met twee handen tegelijk, op kan nemen om de zaaibak te vullen; dit laatste is eigenlijk grob of hoopsel; wanneer beide woorden werden opgegeven, is bij het laatste type opgenomen dat het om twee handen gaat. Ontegenzeglijk wordt grob ook gebruikt voor de handvol bij het zaaien. Zie de toelichting bij het lemma ''met de volle hand -zaaien'' (2.12). [JG 1a, 1b; Wi 51; monogr.]
I-4
|
| 33147 |
handzeef |
teemst:
tęmst (L286p Hamont),
trieerzeef:
triø̄rzēf (L286p Hamont),
zeef:
zē.f (L286p Hamont)
|
De grove zeef waarmee het zaaigraan wordt gewonnen. Er komen twee hoofdtypen voor: de ronde handzeef van ongeveer 80 cm doorsnede met een opstaande rand van ongeveer 10 tot 15 cm. Ouder is wel de rechthoekige houten bak met een bodem van gaas (heel vroeger van fijne gevlochten wilgetenen) die aan een koord werd opgehangen aan een balk in de schuur. In Haspengouw is dit type het oorsponkelijke. In Oost-Haspengouw noemt men het de ries; ook bij het type wan in West-Haspengouw wordt uitdrukkelijk door de zegslieden vermeld dat het hier om een grote vierkante graanzeef gaat. Zie afbeelding 15. Bij het type zij, zijg daarentegen vermeldt men dat dit woord doorgaans de keukenzeef aanduidt, of de vergiet, gebruikt voor melk en soep. [N 14, 38b, 41a, 42a, 43a en 44; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 8, 118; S 45; monogr.]
I-4
|
| 17811 |
hangen |
hangen:
hāngen (L286p Hamont),
häŋən (L286p Hamont)
|
hangen [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-2
|
| 19373 |
hangslot |
padje:
pɛtjən (L286p Hamont)
|
hangslot [ZND 06 (1924)]
III-2-1
|
| 18979 |
hansworst |
polichinel (< fr.):
pužəneͅl (L286p Hamont)
|
Polichinelle. [ZND 05 (1924)]
III-1-4
|
| 21413 |
hard schreeuwen |
hard schreeuwen:
ge moet hoard schruwen anders verstet ie ōs nê (L286p Hamont),
gə mut hoͅrd schrøͅwə, āndərs vərsteͅt i oͅch neͅ (L286p Hamont)
|
Men moet hard schreeuwen, anders verstaat hij ons niet. Men: wordt dit woord wel gebruikt in uw dialect? Zoniet, door welk voornaamwoord wordt men weergegeven? [ZND 04 (1924)]
III-3-1
|
| 25146 |
hard vriezen |
hard (vriezen):
hōͅrt (L286p Hamont),
ps. omgespeld volgens Grootaers.
hōͅərd (L286p Hamont)
|
het vriest hard [ZND 08 (1925)]
III-4-4
|
| 25147 |
hard waaien |
hard waaien:
hàrt wēͅjən (L286p Hamont)
|
hard waaien [boezen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|