| 18237 |
oorring |
oorbel:
oerbellen (L352p Hechtel),
oeërbel (L352p Hechtel),
’n paar oerbellen (L352p Hechtel),
oorbelletje:
oerbellekes (L352p Hechtel),
oorring:
oeërrink (L352p Hechtel)
|
een paar oorringen [ZND 40 (1942)] || Oorring. Zilveren of gouden ring die in elk van beide oren gedragen wordt [oorbel, bel, slinger] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 24361 |
oorworm |
oorworm:
fon. var. van "oorworm"niet overgenomen
oorworm (L352p Hechtel)
|
oorworm [ZND 34 (1940)]
III-4-2
|
| 24868 |
oot |
evie:
evie
e:vi (L352p Hechtel)
|
oot [wilde haver] [ZND 49 (1958)]
III-4-3
|
| 33293 |
oot, wilde haver |
evie:
ēvi (L352p Hechtel)
|
Avena fatua L. Een vrij algemeen voorkomend lastig onkruid op bouwland, in korenvelden en wegbermen, dat er haverachtig uitziet met een wijde, pluimvormige aar. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 60 tot 120 cm. Vergelijk lemma Evene in WLD.I, afl. 4. [A 30, 2; A 60A, 81; L 49, 2; monogr.; add. uit JG 1a, 1b]
I-5
|
| 23198 |
op bedevaart gaan |
bedevaart gaan:
baivert goan (L352p Hechtel),
een bedevaart doen:
wij goan in beivet doeên (L352p Hechtel)
|
We gaan een bedevaart doen. [ZND 21 (1936)]
III-3-3
|
| 17935 |
op de loop gaan |
op loop gaan:
op luup goān (L352p Hechtel)
|
op de loop gaan [ZND 30 (1939)]
III-1-2
|
| 17966 |
op de schouder zitten |
in de nek zitten:
ge mogt in mènne nek zitte (L352p Hechtel)
|
Op de rug zitten (poekelen, op de poekel/kraomejak zitten). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 17949 |
op de tenen lopen |
op zijn tenen lopen:
op zèn tinnen loepe (L352p Hechtel)
|
Op zijn tenen lopen (trippelen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 17934 |
op een sukkeldrafje lopen |
op zijn gemak lopen:
op zè gemaak loepe (L352p Hechtel),
taffelen:
taffele (L352p Hechtel)
|
Op een sukkeldrafje lopen (op een drafje, met schokjes, schokken). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 32922 |
op heukelingen zetten, zwelen |
heukelen:
hø̄.kǝlǝ (L352p Hechtel)
|
Het bijeenwerken van de langwerpige heuveltjes tot de kleinste soort hopen: heukelingen of heukels. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de heukeling, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''heukeling''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''heukeling''. In dit en in de volgende lemma''s komen het woordtype opper en de afleidingen daarvan, zoals opperen, voor. Het type kent een achttal mogelijke typevarianten die onderling geen voorkeursvolgorde hebben: opper, upper, oppel, uppel, hopper, hupper, hoppel, huppel. In dit en in de volgende lemma''s zijn de vormen met en zonder begin-h als aparte woordtypen behandeld; de andere vormen staan steeds in dezelfde volgorde. De kaarten 39, 41 en 43, respectievelijk "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 40, 42 en 44: "heukeling", "hoop" en "opper". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 103; JG 1a, 1a, 1c; monogr.]
I-3
|