| 34006 |
het paard met een enkele lijn leiden |
enkele kordeel:
ę.ŋkǝl kǝrdil (K360p Heusden)
|
Het paard mennen met een lijn die uit twee delen bestaat, één dat via de rug van het paard de twee uiteinden van het gebit verbindt (cf. lemma Loenje), en een enkele lijn die aan het achterste einde van de eerste bevestigd is (cf. lemma Kordeel, Hotlijn). Die enkele lijn, het kordeel, houdt de voerman in de hand. Om het paard links te doen afslaan, houdt hij die strak gespannen; om het rechts te doen afzwenken, trekt hij met kleine schokjes (stuiklijn). Werkwoorden zoals varen en leiden werden niet door alle corresponenten gegeven. [JG 1b; N 8, 101a; N 13, 29; monogr.]
I-10
|
| 32923 |
heukeling |
heukel:
hø̄.kǝl (K360p Heusden)
|
Het kleinste hoopje halfdroog hooi dat men ''s avonds maakt door het opwerken van de rijen, om ze ''s anderendaags weer uiteen te gooien. De kaarten 40, 42 en 44, respectievelijk "heukeling", "hoop" en "opper" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 39, 41 en 43: "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 104 en 103 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 3a; A 42, 20a, L 36, 1; L 38, 38a; monogr.]
I-3
|
| 32924 |
heukelingen spreiden |
daaldoen:
dǭ.ldun (K360p Heusden)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 18087 |
heupjicht |
flerecijn:
fleuresijn (K360p Heusden)
|
flerecijn (heupjicht; Fr. sciatique) [ZND 01u (1924)]
III-1-2
|
| 33704 |
heuvel |
bergje:
bɛrxskǝ (K360p Heusden),
heuvel:
hø̄vǝl (K360p Heusden)
|
Een kleine verhevenheid in het landschap. [L 34, 22]
I-8
|
| 24912 |
heuvel, kleine hoogte |
bergje:
en bergske (K360p Heusden),
heuvel:
heuvel (K360p Heusden)
|
heuvel [ZND 34 (1940)]
III-4-4
|
| 17776 |
hiel |
hiel:
RK -> voetzool.
hiel (K360p Heusden),
vers:
vars (K360p Heusden)
|
hiel (van den voet) [ZND 01u (1924)] || hoe heet het onderste vlak van de voet [ZND 40 (1942)]
III-1-1
|
| 18012 |
hijgen |
hijgen:
dè hijgen (K360p Heusden),
kroezen:
krūzǝ (K360p Heusden),
kuimen:
kø̜u̯mǝ (K360p Heusden)
|
[JG 1a, 1b]zij hijgen (naar adem) [ZND 01u (1924)]
I-11, III-1-2
|
| 20481 |
hijgen naar adem, reutelen |
naar asem hijgen:
hie hijgt ne ouesem (K360p Heusden),
snakken:
snakt (K360p Heusden)
|
Hoe zegt men van een stervende, die naar adem hijgt of reutelt? [ZND 41 (1943)]
III-2-2
|
| 22777 |
hinkelblokje |
perksteen:
perkstien (K360p Heusden)
|
Hoe heet het stukje hout of steen dat hierbij wordt gebruikt? [ZND 27 (1938)]
III-3-2
|