| 20488 |
kauwen |
bijten:
bīētə (L292p Heythuysen),
kauwen:
kauwen (L292p Heythuysen),
knauwelen:
taai vlees of met slecht gebit
knouwələ (L292p Heythuysen),
malen:
malen (L292p Heythuysen)
|
kauwen; Hoe noemt U: Voedsel met de tanden en kiezen fijnmaken (kauwen, knauwen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17628 |
keel, strot |
strot:
stro.d (L292p Heythuysen)
|
strot [RND]
III-1-1
|
| 18070 |
keelpijn |
keelpijn:
kɛ͂.lpin (L292p Heythuysen)
|
keelpijn [RND]
III-1-2
|
| 33235 |
keeltjes, raapstelen |
kelenmoes:
kēlǝmōs (L292p Heythuysen),
steelmoes:
stēlmōs (L292p Heythuysen)
|
Groente bestaande uit dunne stengels en zeer jong kort blad van de koolraap, die zeer dicht gezaaid zijn zodat er geen knolvorming kan plaatsvinden. Raapstelen worden vooral in stamppot verwerkt. [monogr.; add. uit N 7, 16]
I-5
|
| 26167 |
keerklossen |
keerklossen:
keerklossen (L292p Heythuysen)
|
Klampen die op de roeden tegen de askop worden vastgespijkerd om te voorkomen dat de roeden door de asgaten zakken. Volgens een invuller uit l 289 gebeurt dit alleen bij houten roeden. [N O, 3f; A 42A, 78; N O, 3d]
II-3
|
| 32739 |
keerstrook, wendakker |
voordel:
vøę̄rǝl (L292p Heythuysen),
meervoud
vøę̄rǝls (L292p Heythuysen),
voorhoofd:
vøę̄rhø̜i̯t (L292p Heythuysen)
|
Een keerstrook of wendakker is de strook grond aan het uiteinde van een akker waar de ploeg gekeerd wordt. Deze strook ligt dwars op de voren van het groot geploegd middendeel. Als men aan het voor- en achtereinde van de akker niet op een belendend perceel of op een (veld)weg kan keren, heeft men twee keerstroken nodig. De keerstrook werd oorspronkelijk onbebouwd gelaten, later werd ook zij geploegd. Een aantal benamingen kunnen ook gebruikt worden voor een strook grond in het algemeen; soms wordt er op gewezen dat men via de keerstrook toegang tot het perceel heeft. De strook is breder dan normaal als zij in de lengterichting aan een afrastering of haag grenst. [N 11, 50a; N 11A, 125b; JG 1a + 1b + 1c; JG 2b + 2c; A 18, 2; A 33, 3 + 4 + 5; L B2, 246; L 34, 47; monogr.]
I-1
|
| 22789 |
kegels (mv.) |
kegelen:
mɛtə ke.gələ wɛ.rtsjər ne.tmi.ə gəspe.lṭ (L292p Heythuysen)
|
met de kegels wordt er niet meer gespeeld [RND]
III-3-2
|
| 19664 |
kelder |
kelder:
kɛ̝ldər (L292p Heythuysen)
|
kelder [RND]
III-2-1
|
| 28769 |
keper |
keper:
kē̜pǝr (L292p Heythuysen)
|
Elk van de balkjes van ongeveer 5 x 7 cm dikte, die op 50 cm afstand van elkaar verticaal over de gordingen worden gespijkerd. Zie ook afb. 49o. [N 54, 175; monogr.; div.]
II-9
|
| 21283 |
kerel |
kerel:
kɛ.rəl (L292p Heythuysen)
|
kerel [RND]
III-3-1
|