33807 |
pommelee, appelschimmel |
appelschimmel:
apǝlšømǝl (Q039p Hoensbroek)
|
Paard met ronde, glanzende plekken in de vorm van appels in het haarkleed, van binnen wit en van buiten zwart. De afwisseling van zwarte en witte haren vormt een cirkelvormig patroon, vooral op de schouders en het kruis. [JG 1a, 1b; N 8, 63c, 63d en 63e]
I-9
|
25382 |
pompen |
pompen:
pompǝn (Q039p Hoensbroek),
voorpoot bewegen:
vȳrpōǝt bǝwęjgǝ (Q039p Hoensbroek)
|
Eén van de poten bewegen om zo het bloed beter te laten uitstromen nadat de keel van het dier is doorgesneden. [N 28, 14; monogr.]
II-1
|
24431 |
pompen van de meikever |
tellen:
telle (Q039p Hoensbroek)
|
Hoe noemt u het herhaalde malen de vleugels bewegen voordat hij opvliegt, gezegd van een meikever (geld tellen) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
18504 |
pompon van een muts |
floche (fr.):
floes (Q039p Hoensbroek, ...
Q039p Hoensbroek,
Q039p Hoensbroek,
Q039p Hoensbroek),
flōēs (Q039p Hoensbroek),
flōēës (Q039p Hoensbroek),
poes:
pōēës (Q039p Hoensbroek)
|
pluim van een muts [floes] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
21536 |
ponder |
pondel:
om appels, peren enz te wegen in mand
pungel (Q039p Hoensbroek),
trekwaag:
trekwoag (Q039p Hoensbroek),
waagje:
om appels, peren enz te wegen in mand
wéuëgsjke (Q039p Hoensbroek)
|
Weeginstrument met trekveerwerking. [N 18 (1962)]
III-3-1
|
20458 |
pooier |
pooier:
pooier (Q039p Hoensbroek)
|
iemand die leeft van de verdiensten van een prostituée, voor wie hij als beschermer optreedt [pooier] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
19957 |
poort |
poort:
pō ̞at (Q039p Hoensbroek),
pǭrt (Q039p Hoensbroek),
pǭǝt (Q039p Hoensbroek)
|
Opgenomen zijn de benamingen die de poort in het algemeen. Zie ook de lemmata "stalpoort, staldeur" (2.1.3) en "schuurpoort" (3.1.2). Zie de afbeeldingen 22, (a) ronde poort; 23, (b) rechthoekige poort; en 24, (c) details van de poort. In de toegevoegde klankkaart zijn de lengte van klinker en de gevallen van pseudo-klankverschuiving van de slot-t aangegeven. Zie afbeelding 18. [N 7, 48a; JG 1a, 1b; A 10, 7a en 7b; L A2, 286; L 5, 56; L 12, 5; R (s]
I-6
|
34019 |
poot omhoog |
hoes-op:
hūǝs ǫp (Q039p Hoensbroek)
|
Voermansroep om de hoef of voet op te lichten. [N 8, 95k]
I-10
|
33172 |
pootgoed, pootaardappelen |
pootaardappelen:
pōǝt[aardappelen] (Q039p Hoensbroek),
pǭt[aardappelen] (Q039p Hoensbroek),
pootgoed:
pǫǝt˲gōt (Q039p Hoensbroek),
poter:
pø̄tǝr (Q039p Hoensbroek)
|
Mooie aardappelen worden apart gehouden om in het volgend seizoen gepoot te worden, als pootaardappelen. Pootaardappelen mogen niet te groot en niet te klein zijnen er mogen veel ogen in zitten. Ze worden op een koele plaats, in de kelder, bewaard. Voor de fonetische documentatie van de woordtypen voor aardappel, zie het lemma Aardappel. [N M, 15; JG 1a; L 40, 55; monogr.; add. uit N M, 22]
I-5
|
17953 |
pootjebaden |
baden:
baden (Q039p Hoensbroek),
pootjebaden:
pootjebaaje (Q039p Hoensbroek, ...
Q039p Hoensbroek)
|
lopen: met blote voeten door plassen lopen [polse, dokkele, baden] [N 10 (1961)]
III-1-2
|