| 31609 |
hoefmes |
kapmes:
ka.pmɛ̄.s (Q077p Hoeselt)
|
Het mesachtige werktuig waarmee de paardenhoef wordt bijgesneden en gereinigd alvorens het nieuwe hoefijzer wordt geplaatst. Zie ook afb. 228. Invullers uit L 165 en L 213 gebruikten een tang om hoorn van de hoef af te knippen. [JG 1a; JG 1b; N 33, 363-365; monogr.; N 33, 181]
II-11
|
| 31615 |
hoefnagels |
hoefnagelen:
hūfnø̜̄.gǝl (Q077p Hoeselt
[(enk -nǭ.gǝl)]
)
|
De lange nagels waarmee de hoefijzers aan de hoeven bevestigd worden. Een hoefnagel bestaat uit een kop, kling en zwik of punt. Hoefnagels werden vroeger door de smid zelf gesmeed, tegenwoordig worden zij industrieel vervaardigd. Zie ook afb. 232. Franse hoefnagels hebben een vierkante kop in de vorm van twee afgeknotte pyramides die met de basis tegen elkaar liggen. De onderste pyramide gaat bij dit type over in de kling. Engelse hoefnagels, ook ritsnagels genoemd, hebben een kleine, langwerpig vierkante kop waarvan de buitenvlakte schuins naar de kling overgaat, terwijl de binnenvlakte recht of bijna recht is. De kop van de Engelse hoefnagel past in de groef of rits van het ritsijzer. [N 33, 367a; N 33, 367b; JG 1a; JG 1b; monogr.]
II-11
|
| 31178 |
hoefsmid |
smid:
smē.t (Q077p Hoeselt)
|
Smid die hoefijzers smeedt en paarden beslaat. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen haakjes geplaatste woorddelen het lemma "smid". [N 33, 2; monogr.; JG 1a; JG 1b]
II-11
|
| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefstal:
hufsta.I (Q077p Hoeselt)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 25008 |
hoek (tussen twee lijnen) |
hoek:
eene hoek (Q077p Hoeselt),
hoek (Q077p Hoeselt)
|
de ruimte tussen twee rechte lijnen of twee vlakken die elkaar ontmoeten [oord, hoek, winkel] [N 91 (1982)] || hoek [ZND 27 (1938)]
III-4-4
|
| 29940 |
hoektroffel |
hoekijzer:
hoekijzer (Q077p Hoeselt)
|
Metselwerktuig om hoeken te bepleisteren. Het blad van de hoektroffel is V-vormig gebogen en biedt op deze wijze de mogelijkheid een zuivere lijn van het pleisterwerk te verkrijgen. Zie afb. 1c. In K 278 kende men 'hoekpleisters' voor een buitenhoek ('vør nǝn˱ bø̜̄jtǝnhuk') en voor een binnenhoek ('vør nǝn˱ benǝnhuk'). Ook de invuller uit Q 83 maakt dit onderscheid. Volgens de invuller uit Q 198a wordt de hoektroffel niet gebruikt door de metselaar, wel door de stucadoor. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '-(troffel)' en '-(truweel)' het lemma 'troffel'. [N 30, 8b; monogr.]
II-9
|
| 22358 |
hoepel |
ring:
rhenk (Q077p Hoeselt)
|
Een hoepel (ijzeren of houten ring die door de kinderen voortgedreven wordt). [ZND 27 (1938)]
III-3-2
|
| 22359 |
hoepelen |
ringetjejagen:
rèngske joge(hoepelrijden (Q077p Hoeselt),
rèngske jôgë (Q077p Hoeselt),
/
rèngskë jôgë (Q077p Hoeselt),
[Met afbeelding].
rèngskë-jôgë (Q077p Hoeselt),
ringjagen:
rhenk jhoge (Q077p Hoeselt)
|
Hoe heet: met zon ring [hoepel] spelen? [ZND 27 (1938)] || hoepel rijden [SND (2006)] || Lievelingsspel 3. [SND (2006)] || Ringrijden is al lopend door middel van een stokje n velg zo snel mogelijk in beweging brengen. || Velgje rijden.
III-3-2
|
| 18319 |
hoepelrok |
reeprok:
reeprok (Q077p Hoeselt)
|
hoepelrok [reekerok] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34619 |
hoepels van de huifkar |
repen:
rēpǝ (Q077p Hoeselt),
rē̜pǝ (Q077p Hoeselt)
|
Houten hoepels waarover de huif gespannen werd. De hoepels werden in krammen tegen de zijplanken bevestigd. Meestal waren er vijf, waarvan de voorste naar voren helde. [N 17, 74 + 99]
I-13
|