| 21386 |
uithoren |
uithoren:
awtjeurre (Q077p Hoeselt)
|
door vragen van iemand proberen te weten te komen wat hij voelt, uithoren [horken, funteren, tintelen, uithoren, uithorken] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 32967 |
uitkomen |
uitkomen:
ǫu̯ǝtkō.mǝ (Q077p Hoeselt)
|
Het boven de grond uitkomen van het gekiemde zaadkorreltje. [JG 1a, 1b; monogr.; add. uit S 17]
I-4
|
| 21786 |
uitleg |
uitleg:
awtlech (Q077p Hoeselt)
|
het verklaren, uitleggen [uitleg, bedied, bedietsel] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 21391 |
uitleggen |
expliceren (<fr.):
eksplëkjèrrë (Q077p Hoeselt),
uitleggen:
awtlegge (Q077p Hoeselt)
|
duidelijk maken, uitleggen [uitduiden, uitbeduiden] [N 85 (1981)] || uitleggen
III-3-1
|
| 22773 |
uitmaken wie mag beginnen |
kijken wie eerst mag beginnen:
ve zullen eens kieke wie jhes moog begennen (Q077p Hoeselt),
rammelen voor kop of munt:
Met een munstuk.
rammelen veur kop of kruis (Q077p Hoeselt),
rammelen veur kop of mint (Q077p Hoeselt),
schieten voor `t kortste:
Bijv. wie t korts bij een bepaald punt komt.
schieten ver t kotste (Q077p Hoeselt),
tellen:
vè zullən jés əəns təllən (Q077p Hoeselt)
|
Hoe zeggen de kinderen, wanneer ze eerst willen zien wie mag beginnen, b.v. bij het knikkerspel? Vertaal dus en vul aan: We zullen eerst ... [ZND 26 (1937)]
III-3-2
|
| 18311 |
uitneembaar frontje |
fronjel:
[sic]
frondjel [froͅnžəl} (Q077p Hoeselt)
|
frontje, uitneembaar ~ in de hals van een jurk [vestje, plastron] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21452 |
uitnodigen |
uitnoden:
awtnöe (Q077p Hoeselt)
|
iemand verzoeken bij iemand op bezoek te komen, een feest bij te wonen etc. [verzoeken, noden, bidden, uitnoden, kwelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 23122 |
uitroep bij knikkerspel |
halt:
Als de knikker uit je handen viel moest je snel holt vult zeggen;
holt (Q077p Hoeselt)
|
Halt, term bij knikkerspel.
III-3-2
|
| 21445 |
uitschelden |
verwijten:
verwijte (Q077p Hoeselt)
|
iemand smadelijke, honende woorden naar het hoofd werpen [uitkeken, uitjouwen, uitjuiwen, bellen, uitklappen, uitgodverren,uitschelden, uitsliepen [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 34349 |
uitslag vertonend |
branderig:
bręnǝrǝx (Q077p Hoeselt),
brandig:
bręndǝx (Q077p Hoeselt)
|
Gezegd van een varken dat lijdt aan de vlekziekte. [N 19, 27b]
I-12
|