| 21495 |
griffel |
griffel:
də grøfəl (L414p Houthalen),
ien griffel (L414p Houthalen)
|
De stift, waarmee op die lei wordt geschreven. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 19024 |
grijns |
grijnlachen:
gry(3)̄n laxən (L414p Houthalen)
|
grijns [grijnst] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 24451 |
grijpen door roofdieren |
pakken:
pakken (L414p Houthalen)
|
Hoe noemt u het vastgrijpen van ratten, muizen, etc. door roofdieren (klampen) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 17906 |
grijpen naar |
grijpen:
grijpen (L414p Houthalen),
pakken:
pakə (L414p Houthalen)
|
Naar iets grijpen [ZND 35 (1941)]
III-1-2
|
| 18888 |
gril |
kuren:
ook materiaal znd 29, 16
kuren (L414p Houthalen)
|
kuren (znw) [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 32679 |
grindelstang |
trekker:
trękǝr (L414p Houthalen)
|
Onder de ploegboom van een voetploeg bevond zich een stang die van achteren aan de schei of vlak vóór de schei aan de ploegboom vastzat. Van voren eindigde deze stang in een haak, die door twee kettingen verbonden was met de kam. Soms reikte deze stang, van voren voorzien van een kam of haak, tot voorbij de kop van de ploegboom, waarmee hij voor de regeling van de ploegdiepte d.m.v. een verstelbare staaf verbonden was. [N 11, 31.IV.c; N 11A, 92a; JG 1a]
I-1
|
| 21220 |
grindweg |
kiezel:
kiēzel (L414p Houthalen),
kiezelweg:
kiezelweig (L414p Houthalen)
|
Hoe heet een weg die daarmee [steengruis (kleine stukjes steen)] bedekt is ? [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 24933 |
grindx |
kiezel:
ps. de z heb ik omgespeld in zj, omdat het een spellingsteken is. Invuller noteert nl. ook een gewone Ned. z.
kíezel (L414p Houthalen)
|
grind [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
| 24732 |
groei, wasdom |
was:
was (L414p Houthalen)
|
Groei, wasdom, levenskracht in planten (tier, krots). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17541 |
groeien |
groeien:
grø̄n (L414p Houthalen),
profiteren:
geprofeteerd (L414p Houthalen),
wassen:
wassen (L414p Houthalen),
wāsn (L414p Houthalen)
|
De algemene benaming voor het groter worden van het gewas. Het oude Limburgse woord is wassen; zoals de kaart laat zien, komt de term groeien onder invloed van het Nederlands echter al in bijna heel Limburg voor. Aarden betekent eigenlijk "goed groeien, goede opbrengst laten verwachten", evenals (ge)dijen en tieren in het tweede deel van het lemma. De benaming struiken betekent "een struik vormen" in de uitdrukking "het koren is al goed gestruikt" (Q 111). De opgegeven antwoorden voor "dat gewas ''gedijt'' niet" staan achter in het lemma bijeen. [RND 124; L 32, 13; L 44, 45; monogr.; add. uit A 3, 16; L 4, 16; L A2, 374] || die kleine heeft geprofiteerd (struiser, groter geworden) [ZND 40 (1942)] || Groeien: Groter worden: in grootte toenemen, gezegd van kinderen (groeien, wassen, profiteren). [N 106 (2001)]
I-4, III-1-1
|