| 21321 |
getuigen |
tuigen:
tuige (P219p Jeuk)
|
getuigen [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 21725 |
getuigenis |
getuigenis:
getuigenis (P219p Jeuk)
|
de verklaring die men als getuige aflegt over een persoon of een zaak [toon, getuige, getuigenis] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19092 |
gevaarlijk |
periculeus:
me vuur spéle es prijkeloes (P219p Jeuk),
met vuur spelen is prijkeloe-ës (P219p Jeuk)
|
Met vuur spelen is gevaarlijk. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 19093 |
gevaarlijke kerel |
gevaarlijk:
da es een gevaarlijke kerel (P219p Jeuk),
da es iene gevaorleke kerel (P219p Jeuk)
|
Dat is een gevaarlijke kerel. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 23899 |
gevallen engelen |
duivels:
duvel (P219p Jeuk)
|
De gevallen engelen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 21322 |
gevangenis |
cachot (<fr.):
Van Dale: cachot (<Fr.), gevangenhok, gevangenis; arrestantenlokaal.
cachot (P219p Jeuk),
prison (<fr.):
Van Dale: prison (<Fr.), (gew.) gevangenis.
presong (P219p Jeuk)
|
de gevangenis [cachot, nor, partoet, speentje, grawoel, ren] [N 90 (1982)] || gevangenis [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 19743 |
gevel |
gevel:
gēvəl (P219p Jeuk),
løwant (P219p Jeuk)
|
een schoone gevel [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
| 34303 |
gevlekt varken |
piétrain:
pǝtrē̜ (P219p Jeuk)
|
Varken van het ras dat een gevlekte huid heeft. [N 76, 1d]
I-12
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
gevoelig (P219p Jeuk),
gevulig (P219p Jeuk)
|
Gevoelig: vatbaar voor, reagerend op gewaarwordingen bijv. pijn (gevoelig). [N 84 (1981)] || mijn hand is nog gevoelig (b.v. op de plaats waar ik mij vroeger verbrand heb) [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 17740 |
gevoelloos (zijn) |
dood:
doeet (P219p Jeuk),
dood (P219p Jeuk)
|
Gevoelloos: geen gevoel hebben, geen pijn voelen (dood, gevoelloos). [N 84 (1981)] || in die vinger heb ik geen gevoel; hij is helemaal ... [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|