| 24645 |
lange dunne boom |
staak:
staauk (P219p Jeuk)
|
Een lange dunne boom (zwiemel). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24733 |
lange dunne tak |
lange tak:
lauwn tak (P219p Jeuk)
|
Een lange dunne tak (geert) [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17610 |
lange neus |
lange neus:
lang neas (P219p Jeuk),
lang nows (P219p Jeuk),
snuit:
snaat (P219p Jeuk),
PLAATS: de informant geeft als kerkdorp Jeuk/Hasselbroek op.
snaot (P219p Jeuk)
|
een lange neus [ZND 39 (1942)] || neus, Een lange ~ (fokker, domphoren, vonk). [N 84 (1981)] || neus, Een lange ~ (fokker, domphoren, vonk, koker, kuit, gevel). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 24906 |
lange tijd |
toer:
toer (P219p Jeuk)
|
een lange tijdsruimte [toer] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 22150 |
lange voorzijde van de mand |
voorkant:
veurkant (P219p Jeuk)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: lange voorzijde van de mand? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21977 |
langeafstandsvlucht |
fond:
fon (P219p Jeuk)
|
lange afstandsvlucht (300 km of meer)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 17809 |
langen |
langen:
Doorgeven, overgeven.
langjen (P219p Jeuk),
Geven. Wordt weinig gebruikt.
langen (P219p Jeuk)
|
Is bij u een werkwoord langen bekend? Schrijf de juiste betekenis tussen haakjes achter de dialectuitspraak (geven, nemen, overreiken enz.). [ZND 37 (1941)]
III-1-2
|
| 24418 |
langpootmug |
langpootmug:
langpoewetməg (P219p Jeuk)
|
Hoe noemt u de grote mug met bijzonder lange, breekbare poten (langpootmug, horlogemaker, glazemaker, snijder) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 33774 |
langwerpige streep van voorhoofd tot neus |
witte snuit:
wetǝ snāt (P219p Jeuk
[(één of beide lippen zijn eveneens wit)]
)
|
Lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus, naar de vorm in verschillende soorten onderscheiden: ''halve'' en ''doorlopende bles'', ''smalle'' en ''brede bles'', en als ze de hele snuit wit kleur: witte muil, snuit. Zie ook het vorige lemma met ''bles'' in de betekenis van een naar voren hangend haarbosje. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b; N 8, 27b]
I-9
|
| 25079 |
langzaam, traag |
lammetant:
lammetant (P219p Jeuk),
langzaam:
da ga langsaam (P219p Jeuk),
da gie langzeam (P219p Jeuk)
|
langzaam [lui, traag, stil, telijig] [N 91 (1982)] || Langzaam. Dat gaat langzaam [ZND 37 (1941)]
III-4-4
|