| 33871 |
uitgestort zaad van de hengst |
zaad:
zǭt (Q188p Kanne)
|
[N 8, 48 en 49]
I-9
|
| 17854 |
uitglijden |
uitschrikkelen:
oetsjriggələ (Q188p Kanne),
ūtšregələ (Q188p Kanne)
|
uitglijden [ZND 24 (1937)] || uitglijden [ötschampe, uitslibbere, uitschuive] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 26578 |
uithalen |
kappen:
kapǝ (Q188p Kanne),
scherpen:
šē.rǝpǝ (Q188p Kanne)
|
Algemene benaming voor het uitkappen van de groeven van een molensteen. Zie voor meer specifieke handelingen bij het uitkappen van de groeven de lemmata ɛbreed scherpenɛ, ɛhol scherpenɛ, ɛdiep scherpenɛ enzovoorts.' [Vds 222; Jan 201; Coe 175; Grof 205]
II-3
|
| 32967 |
uitkomen |
uitkomen:
ū.tko.mǝ (Q188p Kanne)
|
Het boven de grond uitkomen van het gekiemde zaadkorreltje. [JG 1a, 1b; monogr.; add. uit S 17]
I-4
|
| 22773 |
uitmaken wie mag beginnen |
gooien:
uus goeje ver wee uus es (Q188p Kanne),
zien wie eerst is:
uus zin wee uus es (Q188p Kanne)
|
Hoe zeggen de kinderen, wanneer ze eerst willen zien wie mag beginnen, b.v. bij het knikkerspel? Vertaal dus en vul aan: We zullen eerst ... [ZND 26 (1937)]
III-3-2
|
| 18311 |
uitneembaar frontje |
devant (fr.):
Ook voorstuk [vö:rstük].
dəvo͂ (Q188p Kanne),
voorstuk:
Sub devant. Ook voorstuk [vö:rstük].
vö:rstük (Q188p Kanne)
|
devant: voorstuk
III-1-3
|
| 18108 |
uitslag onder de neus |
uitslag:
ôêtslaog (Q188p Kanne)
|
Uitslag, zweren onder de neus (futsel, logistgast, uitslag, zweren). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 22343 |
uitsliepen |
uitsliepen:
ich sliep hûm oet (Q188p Kanne),
ich sliep tich oet (Q188p Kanne)
|
Iemand uitslijpen (uitlachen door met de twee wijsvingers over elkaar te wrijven; wat wordt daarbij gezegd?) [ZND 06 (1924)]
III-3-2
|
| 32416 |
uitspannen |
uitspannen:
utspanǝ (Q188p Kanne),
ūtspanǝ (Q188p Kanne)
|
Het paard losmaken van de kar of het werktuig waarin of waaraan het gespannen is. Bij het uitspannen uit een kar met berries worden de draagriem, de brede buikriem en de strengen losgemaakt. Vervolgens wordt het paard naar de stal geleid. [JG 1b, 2c; N 8, 98b; monogr.]
I-10
|
| 21133 |
uitwijken |
opzij varen:
op˲zęi̯ vǭ.rǝ (Q188p Kanne)
|
Als de weg smal is en er komt van de tegenovergestelde zijde een kar af, dan zullen beide voertuigen moeten uitwijken. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-10
|