| 20366 |
meisje met wie een jongen verkering heeft |
lief:
lief (L316p Kaulille),
liefste:
leefste (L316p Kaulille),
meid:
meid (L316p Kaulille)
|
het meisje met wie men verkering heeft [parmeteit, meid, fem, frul, caprice] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 18580 |
meisjeshemd |
maagdjeshemd:
Spelling: <`> = sjwa.
maegtsj`shumme (L316p Kaulille)
|
Meisjesondergoed, meisjeshemd [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18622 |
meisjesmuts met afhangende strook |
kapmuts:
kapmuts (L316p Kaulille)
|
meisjesmuts die nauw om het hoofd sluit en met een strook afhangt tot op de schouders [kaaper, kappelin, kapmöts] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 34454 |
mekkeren |
bleten:
blē̜i̯tǝ (L316p Kaulille)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van de geit. [N 19, 76b; monogr.]
I-12
|
| 18125 |
melaatsheid |
melaats:
m’laats (L316p Kaulille),
melaatsheid:
m’laatsheid (L316p Kaulille)
|
Melaatsheid: lepra, in de huid ontstaan knobbels; de ziekte kan tot afschuwelijke verminkingen leiden (leproosheid, lepra, melaats, lazerij). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 22800 |
melden (kaartterm) |
melden:
melle (L316p Kaulille),
(aankondigen)
mellen (L316p Kaulille)
|
Melden. || Melden. (in welke betekenis wordt dat woord gebruikt? Geef de uitdrukking waarin het voorkomt, b.v. bij het kaartspelen, enz.). [ZND 38 (1942)]
III-3-2
|
| 22801 |
melden (kaartterm) add. |
meld hebben:
(jassen)
mèlhemmen (L316p Kaulille)
|
Melden. (in welke betekenis wordt dat woord gebruikt? Geef de uitdrukking waarin het voorkomt, b.v. bij het kaartspelen, enz.). [ZND 38 (1942)]
III-3-2
|
| 33294 |
melganzevoet |
smeel:
smēl (L316p Kaulille)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|
| 34237 |
melk |
melk:
męlǝk (L316p Kaulille),
mɛ.lǝk (L316p Kaulille),
mɛlk (L316p Kaulille)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 34095 |
melkaders |
melkaderen:
mɛlǝkārǝ (L316p Kaulille)
|
De aders langs de buik naar de uier. [N 3A, 118a]
I-11
|