| 30155 |
speklaag |
speklaag:
špɛklǫax (Q121p Kerkrade)
|
Band van natuursteen die in baksteenmetselwerk is aangebracht. Zie ook afb. 44 en het lemma 'Sierlaag'. In Q 111 noemde men een huis met speklagen een 'spekhuis' ('šp'khūs'). [N 31, 31c; monogr.]
II-9
|
| 20702 |
spekpannenkoek |
spekkoek:
sjpekkog (Q121p Kerkrade)
|
Spekpannekoek (spekbraoj?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 22841 |
spel (alg.) |
spel:
e sjpEhl (Q121p Kerkrade),
Zouwe vier e sjpelsje kate?
sjpel (Q121p Kerkrade)
|
1. Spel. || spel [GTRP (1980-1995)]
III-3-2
|
| 18390 |
speld |
spang:
špaŋ (Q121p Kerkrade)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
| 28884 |
speldenkussen |
naaldenkussen:
nǫldǝkøsǝ (Q121p Kerkrade)
|
Kussentje waarop men de spelden en naalden steekt. De informant van Q 198 merkt op dat hij de naalden op zijn vest (kamizool) of op een stukje stof aan de muur speldde. Zie afb. 11. [N 59, 13a; N 62 68; L 45, 19; Gi 1.IV, 64; MW; monogr]
II-7
|
| 22383 |
spelen (alg.) |
hellen:
#NAME?
helle (Q121p Kerkrade),
ophellen:
Verberje -; ónger dr dusj is mol, verstoppertje spelen; onder de tafel is honk.
óphelle (Q121p Kerkrade),
spelen:
sjpiihle (Q121p Kerkrade),
vgl. pag. 230: sjpille, spelen (muziek, toneel, sport).
sjpieële (Q121p Kerkrade)
|
(Een spel) doen. || Een spel doen. || spelen [GTRP (1980-1995)] || Spelen (uitsluitend van kinderen).
III-3-2
|
| 22327 |
spelletje |
potje:
pøͅtjə (Q121p Kerkrade)
|
Het spelen van een spel door twee of meer personen [partijtje, potje, spelletje]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20165 |
spenen |
spenen:
špiǝnǝ (Q121p Kerkrade)
|
Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59]
I-9
|
| 17719 |
sperma |
wiks:
wieks (Q121p Kerkrade),
zaad:
zoam (Q121p Kerkrade)
|
Sperma: het mannelijk zaad (foeter, natuur, sperma). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 24247 |
sperwer |
sperwer:
sjper’ber (Q121p Kerkrade),
stootvogel:
alle roofvogels heten "stoesvojel
sjtôêsvôêjel (Q121p Kerkrade)
|
sperwer || sperwer / havik (35 / 55 vrij ronde vleugels en lage staart; gestreepte onderkant, gele ogen; komen onverwachts laag aanvliegen en grijpen dan de verraste prooi; de kleine soort vaak op trek; s winters ook in stad en dorp; de grote broedt zeldzaam in g [N 09 (1961)]
III-4-1
|