| 34529 |
roep- en lokwoord voor het kuiken |
kuik, kuik, kuik:
kyk, kyk, kyk (L370p Kessenich),
tsjiep, tsjiep, tsjiep:
tšip, tšip, tšip (L370p Kessenich)
|
[N 19, 44b; A 6, 2c; L 47, 9b; VC 12 2o -r-; monogr.]
I-12
|
| 21362 |
roepen |
roepen:
rōpə (L370p Kessenich)
|
roepen [ZND m]
III-3-1
|
| 32976 |
rogge |
koren:
[koren] (L370p Kessenich)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20760 |
roggebrood |
pompernikkel:
Syst. Frings
pompərnekəl (L370p Kessenich)
|
Kent uw dialect het woord pompernikkel = bepaald soort roggebrood. A.u.b. ook de dialectvorm van uw plaats opgeven en eventueel de betekenis toelichten. [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20674 |
roggemeelpap |
roggepap:
Syst. Frings
roͅgəpap (L370p Kessenich)
|
Pap van roggemeel (prol?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18284 |
rok: algemeen |
rok:
rok (L370p Kessenich),
roͅk (L370p Kessenich),
schort:
šort (L370p Kessenich)
|
rok [ZND m] || rok (door vrouwen gedragen) [ZND 17 (1935)]
III-1-3
|
| 32834 |
rollen |
wellen:
wɛlǝ (L370p Kessenich)
|
Het land bewerken met de rol, met de rol over het land gaan. In dit lemma zijn ook enige termen ondergebracht, die het rollen met een bepaald doel, resp. een tweetal manieren van rollen naar de richting betreffen. Voor het (...)-gedeelte van de varianten daarvan zij verwezen naar het simplex wellen aan het be-gin. [JG 1a + 1b; N 11, 87; N 11A, 187a + b + c + 189a; N P, 20 add.; monogr.]
I-2
|
| 22443 |
rommelpot |
foekespot:
Add. van Theo Van Dael, Kinrooi (L 369): Vooral in Kessenich.
foekespot (L370p Kessenich),
Gespannen vel over een pot met een klein gaatje daar middenin en waardoorheen een rietje of stokje. Op en neer bewogen maakt dit een dof, rommelend geluid, wat het tuig elders dan ook de naam rommelpot bezorgde.
foekespot (L370p Kessenich)
|
de pot die met een (varkens)blaas is overspannen; door het midden ervan is een rietje gestoken dat men vochtig maakt en op en neer beweegt, wat de blaas in trilling brengt [rommelpot, hoeperpot, foeperpot, foekepot] [N 112 (2006)] || De pot om mee te foeken.
III-3-2
|
| 20705 |
rond wittebrood |
rond brood:
Syst. Frings
ronjt˂ bruət (L370p Kessenich),
ronde weg:
Syst. Frings
ronjə weͅk (L370p Kessenich)
|
Plat, rond wittebrood (plats?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34597 |
rongblokken |
schemerblokken:
šiǝmǝrblø̜k (L370p Kessenich),
(enkelv)
šiǝmǝrblok (L370p Kessenich)
|
Twee tot vier dwarsbalken die zowel bij de hoogkar met ladders als bij de langwagen voorkomen en waarin op de uiteinden de rongen gestoken worden. Bij de hoogkar gaat het om blokken waarop de ladders rusten. Deze ladders worden dan ondersteund door de rongen, die in de rongblokken zitten. Bij de wagen gaat het om dwarsbalken die op de langboom bevestigd zijn. Hier ondersteunen de rongen die in de rongblokken zitten de zijwanden van de wagen. [N 17, 12b + 13a + 44f + 44g; N G, 70c; JG 1b; JG 1d; JG 2b; JG 2c; monogr.]
I-13
|