| 18121 |
fijt |
fijt:
feit (K359p Koersel)
|
ik heb de (of het) fijt (zeer pijnlijke verzwering van een vingertop) [ZND 35 (1941)]
III-1-2
|
| 24145 |
fitis |
tietertje:
tieterke (K359p Koersel)
|
fitis
III-4-1
|
| 23264 |
flambouw |
lantaarn (<fr.):
⁄n lantèrn (K359p Koersel)
|
Een flambouw (die in de processie wordt gedragen). [ZND 35 (1941)]
III-3-3
|
| 20838 |
flauw |
flauw:
flauw (K359p Koersel),
slecht leesbaar
flauw (K359p Koersel)
|
flauw, smakeloos [RND] || meeps (flauw van smaak) [ZND 31 (1939)]
III-2-3
|
| 18010 |
flauwvallen |
sterren zien:
hij zāg de styren veur z`en oege stan (K359p Koersel)
|
hoe is of wordt iemand die een harde slag op het hoofd heeft gekregen (met een zinnetje antwoorden) ? [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 17989 |
flets |
snips:
snieps gezicht (K359p Koersel)
|
hij heeft een flets gezicht (bleekgeel, ziekelijk) [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 19288 |
flikflooien |
flikflooien:
ook materiaal znd 23, 55
flikke floeien (K359p Koersel),
strijken:
ook materiaal znd 23, 55
strèke (K359p Koersel)
|
flikflooien [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 18021 |
fluim |
fluim:
flaum (K359p Koersel),
floͅy(3)m (K359p Koersel),
rochel:
rŏchel (K359p Koersel)
|
fluim [ZND 23 (1937)], [ZND A2 (1940sq)]
III-1-2
|
| 18024 |
fluimen uitspuwen |
rochelen:
rochələ (K359p Koersel),
roͅchələ (K359p Koersel)
|
spuwen: fluimen uitspuwen [kwalstere, kwaajere, uitgooje] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 21345 |
fluisteren |
fluisteren:
flu[ə}steren (K359p Koersel),
fluisteren (K359p Koersel)
|
fluisteren [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|