| 28873 |
schaar |
scheer:
šēr (Q074p Kortessem)
|
Schaar, gereedschap van kleermaker en naaister. Een goede schaar is gemaakt van staal en ijzer. Het snijvlak van de schaar moet van staal vervaardigd zijn. Het bovenoog, waarin de duim rust, is kleiner en ronder dan het onderoog waarin de vingers rusten (Papenhuyzen III, pag. 9). In dit lemma zijn de vragen ø̄Hoe noemt u de schaar in het algemeen?ø̄ (N 59, 16a), ø̄Hoe noemt u de grote schaar?ø̄ (N 59, 16b), en ø̄Hoe noemt u de kleine schaar?ø̄ (N 59, 16c) samengevoegd. Binnen dit lemma zijn de antwoorden onderverdeeld in drie groepen die beantwoorden aan de driedelige vraagstelling. Zie afb. 8. [N 59, 16a; N 59, 16b; N 59, 16c; N 62, 54; L 45, 14; L A2, 317; Gi 1.IV, 22; MW; S 30; monogr.]
II-7
|
| 22314 |
schaats |
strikschoen:
striksjóen (Q074p Kortessem)
|
Schaats.
III-3-2
|
| 22313 |
schaatsen |
strikschoen rijden:
[sic; trefwoord aangepast ~ Kortessem Wb.]
stikšunreə (Q074p Kortessem),
Sub striksjóen: Vrugger goenke véë op Knùtskeswejer striksjóen rijë.
striksjóen rijë (Q074p Kortessem)
|
Schaatsen. || Schaatsenrijden. [ZND B1 (1940sq)]
III-3-2
|
| 22155 |
schacht |
schacht:
schaag (Q074p Kortessem)
|
Hoe heten de onderdelen van de slagpen? (de cijfers tussen haakjes verwijzen naar tekening 3): schacht (3) [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 25043 |
schaduw, lommer |
lommer:
lŏĕmmər (Q074p Kortessem),
vie zitte inne loemer (Q074p Kortessem),
we zitte in də lommer (Q074p Kortessem),
ps. niet omgespeld!
də lō.mər (Q074p Kortessem),
Vb. ich haag mich inne loemer (ik houd mij liefst in de schaduw (bij zonnig weer). Opm. in Tongeren en omstreken hoort men: "inne kule sjoi"en "kiele sjaon"; sjeem (Maaseik sjeim (Sittard).
loemer (Q074p Kortessem),
schemer:
Vb. déë is krek wéi oerre sjimmer, déë koeë oek ni kwijtröke (die kerel blijft u als een schaduw achtervolgen.
sjimmer (Q074p Kortessem)
|
lommer, schaduw || schaduw (donkere vlek achter een persoon) [DC 49 (1974)] || schaduw (lommer) [RND] || Schaduw. Wij zitten in het lommer,... in de schaduw. [ZND 37 (1941)]
III-4-4
|
| 19129 |
schande |
schande:
sjaa’n (Q074p Kortessem)
|
schande
III-1-4
|
| 34115 |
schede van de koe |
lijf:
lɛ̄ǝf (Q074p Kortessem)
|
Uitwendig geslachtsorgaan van de koe. [N C, 13; JG 1a, 1b; A 48A, 47b; monogr.]
I-11
|
| 17729 |
scheel zien |
scheel kijken:
sjeël kîeke (Q074p Kortessem)
|
scheel zien
III-1-1
|
| 34587 |
schei |
scheien:
sxęi̯ǝ (Q074p Kortessem)
|
Elk van de houten balkjes die de berries verbinden en scheiden en zo de berries evenwijdig houden. Deze balkjes worden door openingen in de berries gestoken en door middel van spieën stevig vastgezet. Het aantal scheien van een kar is afhankelijk van de lengte van de berries. Een hoogkar heeft bijgevolg meer scheien dan een stortkar. [N 17, 24 + 40; N 8, 106; N G, 56e + 58a; JG 1a, JG 1b; monogr]
I-13
|
| 18952 |
schelm |
schelm:
sjelm (Q074p Kortessem)
|
schelm
III-1-4
|